Willem Holleeder zei maar wat. Toen hij zei dat hij zijn zus Sonja’s kaak zou breken als ze niet luisterde, toen hij zei dat hij haar à la minute zou doodschieten als hij geen geld kreeg voor de film over de Heineken ontvoering. ‘Ik zeg maar wat,’ verklaarde hij in de rechtbank. ‘Ik verzin het op dat moment’.

Ook schijnt hij te hebben gehuild. Toen het ging over Astrids boek over hem. Omdat het niet eerlijk was, omdat het niet waar was en omdat hij ook heus gevoel heeft.

Ik schreef wekelijks voor de Nieuwe Revu toen Holleeder daar werd aangenomen als columnist. Er was veel ophef over. Veel vragen, veel kritiek. De hoofdredacteur hoorde ik met een jeugdig soort bewondering vertellen over hoe dat dan ging: Holleeder die de column met de hand schreef en kwam afgeven als een pakketje drugs, en hoe hij het de redactie verbood om ook maar één zin te redigeren.

Het was de tijd waarin mensen massaal met hem op de foto gingen. Een selfie met Holleeder, echt cool was dat.

Toen ik in die periode naar de nieuwjaarsborrel ging wist ik dat hij er ook zou zijn. Iedereen wist dat. Het gonsde. Ik liep naar binnen, de muziek in, de mensenmassa in, en zag hem staan aan de bar. Het gekke was: ik ving meteen zijn blik. Misschien keek hij naar iedereen die binnenkwam. In maffiafilms zitten ze ook altijd met de rug naar de muur, alert, blik op de deur.

Maar in zijn ogen zag ik bepaald geen angst voor wat mogelijk komen zou. Ik zag was een ontspannen soort vermaak, met daarin een opmeting, een nonchalante berekening. Zoals een leeuw kijkt naar een vogeltje dat enkele meters bij hem vandaan in het gras landt. Te klein om moeite voor te doen, maar toch: heel even is er de afweging.

Ook leek hij ervan uit te gaan dat het hele feestje om hem ging. Dat iedereen tegen hem opkeek, zeker andere mannen, zeker mannen als ik, met tatoeages. Toen ik hem voorbijliep en niet met hem op de foto hoefde werd zijn vermaak waarschijnlijk alleen maar groter. Het feit dat ik dacht dat ik stoer was, dat moet hij lollig hebben gevonden.

Ik was als het vogeltje bij de leeuw. Verheven keerde ik hem mijn staartveer toe. Snaveltje in de lucht. En toch een beetje bang.


Dit stukje schreef ik voor radioprogramma Nooit Meer Slapen. Gisternacht droeg ik het voor. Abonneren op deze stukjes? Klik hier