Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan. Die zin, een boektitel van Couperus, schoot door me heen tijdens het fietsen. Ik bedoel fietsenfietsen. Ik bedoel fietsen met als doel het fietsen zelf, door het bos voornamelijk, en soms natuurlijk ook over een saai stuk weg langs een nietszeggend industrieterrein, al heb ik, moet ik bekennen, nog nooit een véélzeggend industrieterrein gezien.

Maar goed. Ik dacht aan die titel omdat ik dacht aan Theodor Holman. En ook vanwege de houten vloer die, as we speak, uit mijn huiskamer wordt gesloopt, maar dat licht ik zo meteen nog wel toe. Ik dacht aan Theodor Holman omdat ik hem lees, voor het eerst welteverstaan. Het betreft een boek met verzameld werk getiteld Het blijft toch familie, dat me werd aanbevolen door Marja Pruis. Ik heb vooralsnog alleen Familiefeest gelezen, wat memoires lijken te zijn, en vind het schitterend, geschreven met humor en compassie en realiteitszin. Ook las ik de citaten op de cover, met alle lof die Holman kreeg in die tijd. Een tijd voor mijn tijd, want de eerste herinnering die ik heb aan Holman is zijn rol in de nasleep van de moord op Theo van Gogh. Ik heb het niet allemaal even goed meegekregen, maar hij liet zich kritisch uit over de islam—vast niet heel genuanceerd—en werd daardoor al vrij snel, en vrij definitief, in het clubje boze rechtse witte mannen geplaatst, ook al was hij niet wit. Omdat ik hem alleen daarvan kende, en ik in die tijd de neiging had om nogal klakkeloos mee te gaan met de populaire opinie, was hij meteen ook in mijn ogen een ‘verkeerd’ iemand. Niet dat ik daar bewust over nadacht, welnee, ik was er überhaupt niet mee bezig, maar onbewust werd dat beeld wel degelijk gevormd. Het zou in ieder geval niet in me zijn opgekomen om een boek van hem te lezen.

Gek, hoe lang zo’n beeld kan blijven hangen. Het beeld wordt niet herzien. Omdat daar geen reden toe is. Het zit in een archiefmap, en zolang die map niet uit de kast hoeft te worden getrokken blijft het zo. Maar de reden om dat wel te doen, die kwam. Toen ik me zo ongeveer een jaar geleden op De Groene Amsterdammer abonneerde begon ik de column te lezen die, om de week, helemaal achterin staat, geschreven onder de pseudoniem Opheffer. Ik vond ze schitterend, zo goudeerlijk en donker en lief en verdrietig. Maar, barbaar die ik was en ben, had ik geen idee dat Holman erachter schuilging. Ik moest het eerst googlen. En zo kwam het dat ik Marja Pruis om advies vroeg: waar te beginnen met zijn werk?

Blij toe.

Hoe dan ook, op de fiets dacht ik dus aan hem. Dat je zelden nog iets van hem hoort. Dat al die lofzang nu in het verleden ligt. Dat hij nu alleen nog eens in de twee weken zijn prachtige noten speelt op de laatste pagina van de Groene. Dat hij nu oud is. Dat ik ooit op een literair feestje nog lang heb staan kletsen met zijn dochter, Marscha, over wie ik nu lees in Familiefeest, of althans over de kleuter die ze was toen Holmans vader overleed (in haar armen, toen ze onder zijn begeleiding op de wc zat te plassen).

En, omdat ik een narcist ben, zag ik in diezelfde gedachtestroom ook mezelf voor me, degene die ik ben als ik straks oud ben, hoe dan de lof die ooit kreeg (of niet kreeg) in een ver verleden liggen, en de wereld ook aan mij voorbij is gegaan, althans de grote wereld, de media-wereld, de wereld van rumoer en meningen en trends, want zeker niet de kleine wereld, de échte wereld, de wereld van adem en huid en zonlicht en afscheid en krakend hout, en hoe ik dan natuurlijk geen cent te makken heb, maar ik heel misschien nog, op één plek, ergens, hooguit eens in de twee weken, een column mag schrijven.

Maar. Ik zou nog over die houten vloer vertellen, want die speelde ook mee. Mijn huiskamer en keuken worden verbouwd. Er zijn twee leuke bouwvakkers aan het werk (nee, niet Ronnie en Bas uit mijn nieuwe boek) die vandaag de hele houten vloer eruit sloopten. Die vloer is honderd jaar oud, waarvan de laatste vijftien jaar ik erop leefde, tien daarvan met mijn ex-vrouw. Ook met onze twee zoons natuurlijk. Nu doe ik de deur open en zie ik een zandbak.

Dus, nu weet je het. Waarom ik op de fiets nadacht over menschen en dingen die voorbij gaan. Oftewel, zoals ik het eerder noemde, over de échte wereld.

 


Deze stukjes verstuur ik ook altijd per mail. Dat gaat per nieuwsbrief waar je je HIER gratis voor kunt inschrijven.