Tegenover me in de trein zit een vrouw van begin vijftig. Kort haar, simpele sieraden, een leren tasje, een leesbril, een broek met verticale witte en zwarte banen. Het is rond zes uur ’s middags, ze oogt moe, waarschijnlijk onderweg naar huis. Ze heeft haar telefoon op het tafeltje liggen, aangesloten op een powerbank; deze reis is routine.

De telefoon gaat. Ze praat Nederlands met een Amerikaans accent en heeft een bekende aan de lijn. Na een tijdje zegt ze: ‘Je hoeft niet zo te reageren.’ Ik hoor een geagiteerde mannenstem, jonger dan zij; ik vermoed haar zoon. ‘You’re what?’ vraagt ze, overgeschakeld naar het Engels. En dan: ‘Why? How much did you lose? More than duizend euro?’ Ze wacht en luistert, haar blik uit het raam; het besef daalt in maar verrast haar niet. Dan: ‘Well then why did you do it? How stupid can you be?’ Meer verontwaardigd gesputter aan de andere kant van de lijn. En zij, nu weer in het Nederlands: ‘Dus ik werk voor niets.’ Ze laat hem praten. Na een tijdje: ‘Nee, natuurlijk niet, dat is het nooit, maar wiens schuld is het dan wel?’

Hij kwettert nog feller. Ze hoort hem gelaten aan. Er is wanhoop, maar de wanhoop zit al zo lang in haar lichaam dat het tot een extra orgaan is verworden. ‘Sure,’ zegt ze. ‘Okay. Of course. Yes. Well, have fun then. Yes. Goodbye.’ Dan hangt ze op.

De telefoon ligt weer op het tafeltje. Ze staart uit het raam, haar pupillen springen van huis naar paal naar koe naar spoorwegovergang naar hond. Vochtige ogen? Nee, dat niet. Ze is het huilen voorbij, haar traanbuizen ruw. Je ziet haar denken en malen en het gesprek in gedachten nog eens overdoen.

Na een tijdje pakt ze haar telefoon. Haar denken heeft geleid tot nieuwe inzichten, nieuw onbegrip. Ze moet er nog iets over kwijt, er moet iets worden gedeeld. Ik hoop dat het de vader is aan wie ze een bericht stuurt, iemand die de last met haar kan delen, iemand die een grapje kan maken, maar haar verbeten blik zegt me dat het een berichtje is aan dezelfde persoon als zojuist. Een berichtje met een ‘trouwens’, of een ‘daarnaast’, of een ‘besef je wel dat’. Steeds zwaarder wordt de zak met stenen die aan haar is vastgeknoopt, en steeds dieper zinken ze samen weg.

Ik zie hem zitten, aan de andere kant van de lijn. Hij leest het berichtje en schudt driftig zijn hoofd. Zijn moeder begrijpt hem niet. Zijn moeder is onmogelijk. 


Een abonnement op deze stukjes, met leuke extra’s, regel je hier. Mijn nieuwste boek heet Berichten uit het tussenhuisje.