In de rij voor de kassa bij de Albert Heijn, bezweet en hongerig na het sporten, sta ik achter een vrouw van middelbare leeftijd. Ze draagt een hoofddoek en een effen, paarse jurk die een enorm lichaam verhult. Ze kreunt en steunt en ze kijkt gepijnigd, maar ook een beetje melodramatisch, besluit ik, alsof ze eraan gewend is om zo te kijken, misschien omdat ze er dingen mee voor elkaar krijgt.

Nu is ze aan de beurt. De band staat vol met haar boodschappen. De kassière vraagt haar dingen die ze niet kan verstaan. Ook weet ze niet hoe ze moet pinnen; ze steekt het pasje er verkeerd om in. De kassière probeert het haar uit te leggen. Ik word steeds ongeduldiger. Ook achter me hoor ik al mensen snoeven.

Dan, als het pinnen is gelukt, gebaart de vrouw naar de kassière. Ze kijkt daar zo mogelijk nog gepijnigder bij, wijzend naar haar boodschappen en haar tas. Het heeft iets dwingends. De kassière komt van haar stoel en begint alle producten voor de vrouw in de tas te doen. Dit vinden de mensen in de rij, waaronder ik, natuurlijk belachelijk. Wat dénkt die vrouw wel niet? De kassières in dit land hoeven dat helemaal niet te doen! De rij wordt langer en langer. Ik heb jeuk en ik wil eten.

Vermoeid en zuchtend loopt de vrouw met de volle tas in haar winkelwagen eindelijk richting uitgang. Nu ben ik aan de beurt. Moet je zien hoe snel en handig ik alles doe! Ik leg meteen de bonuskaart klaar, steek nu al m’n pinpas in het apparaatje, begin al met inpakken terwijl de kassière nog aan het scannen is. O, wat zal ze blij met me zijn! Dankzij mij wordt er verloren tijd ingehaald. Het moreel onder de mensen achter me neemt merkbaar toe.

Ik voel de behoefte om er tegen de kassière nog iets over te zeggen. Benoemen wat zojuist is voorgevallen. Iets heel kleinburgerlijks als: ‘Volgens mij hoorde dat niet bij je takenpakket, of wel?’

Als ik haastig de winkel uitloop staat ze daar bij haar auto, die vrouw. Ze ziet me en gebaart naar de tas en naar de auto, weer enigszins dwingend. Ze kijkt me aan met ogen die zeggen: Al mijn hele leven sjouw ik boodschappen voor mijn man en kinderen, ik kan niet meer, heb meelij.

‘Natuurlijk,’ zeg ik. Ik plaats de zware tas op haar achterbank en zie dan dat er bovenin een verpakking met appelflappen ligt. Met een glimlach zeg ik: ‘Lekker appelflappen eten?’

Nu kijkt ze nóg vermoeider en nóg gepijnigder. Moet ik haar echt lastigvallen met een vraag die ze toch niet kan verstaan? Moet ik haar echt in deze situatie brengen? Ik schaam me. Ik wist dat ze geen Nederlands sprak en toch deed ik het. Lekker appelflappen eten? Met die stomme, quasi vriendelijke glimlach.

Als ik naar huis loop denk ik zo hard als ik kan terug aan het moment waarop ik stond af te rekenen. Hoe snel en soepel ik dat deed. Hoe blij die kassière met me was. Hoe sympathiek ze me vond.


Wil je een exclusief, extra stukje op zondag? Neem dan een plus-abonnement. Mijn aanstaande boek heet Berichten uit het tussenhuisje.