Soms snelt de verlorenheid voor je uit. Het maakt niet uit waar je naar binnen gaat; hij is er al en wacht je op. Hij ligt als een kleurenfilter op de lampen, is als een extra laagje verf op het meubilair, ademt achter de gordijnen.

In de trein naar Amsterdam reed hij met me mee; een doorschijnende coupé neergedaald op de mijne. Ik kon hem horen; ik hoefde alleen maar het prullenbakje te openen en sluiten.

Op straat was iedere voetstap de voetstap van de verlorenheid. Ik liep van het station naar Waterstone’s op de Kalverstraat. Onderweg kocht ik nieuwe, veel te dure schoenen. Toen ik ze afrekende was ik misselijk; ik wist al dat het niet ging helpen. En inderdaad: ook aan de nieuwe schoenen kleefde de verlorenheid. Het regende zachtjes, druppels bespikkelden het nieuwe leer, de huid van een koe, dood, niet eens echt comfortabel.

Bij Waterstone’s kocht ik twee boeken. Dat deed ik zo snel als ik kon. De kasten met romans torenden boven me uit en bogen zich over me heen; ik had steeds minder ruimte.

De tram. Vraag me in godsnaam niet de tram te beschrijven.

Bij het inchecken in het hotel keek de verlorenheid me aan met de ogen van een kleine man met een Indiaas uiterlijk. Of ik mijn creditcard had meegenomen. Dat hij graag een kopie van mijn rijbewijs wilde. Toeristenbelasting pinnen, graag. Hier het pasje van 203. Ik nam een glas Red Label mee naar boven.

Toen ik de kamer binnenstapte ademde de verlorenheid me in het gezicht met een gapende mond. Het bed strak opgemaakt, het wit gebroken, het bureautje timide. Ik keek naar het bed en zag het voor me: hier, vannacht, na voorvertoning van de film en het aansluitende feest, dronken met een vrouw neervallen. Maar ook dat visioen bood geen uitweg. Ook die vrouw was slechts een manifestatie van de verlorenheid. Ik dronk van de Red Label, las in een nieuw boek, sloot mijn ogen en deed alsof ik even ontspande.

Aan de bar van het filmhuis sprak de verlorenheid tot mij met geroezemoes. In de zaal omhulde het me met dekens van duisternis.

Na de film omhelsde ik kortstondig de regisseur, bang dat de verlorenheid ook hem zou bespringen, en vertrok voortijdig. In het hotel checkte ik uit, het bed nog onbeslapen. Haastig liep ik over straat. Ik sprong in de tram. Ik rende naar het station – sneller, sneller – en holde de trap op naar het perron.

De deuren van de trein sloten vlak achter me. Ditmaal was ik de verlorenheid te snel af geweest, dacht ik, buiten adem, en zag toen het enige vrije setje stoelen, het fletse licht, het uitpuilende prullenbakje. Ik ging zitten en werd direct opgeslokt, als Jonas door de walvis, en ik zei tot God: ‘Verstoten ben ik, verbannen uit uw ogen. Maar eens zal ik opnieuw uw heilige tempel aanschouwen.’


Een abonnement op deze stukjes? Klik hier. (Ook voor eenmalige donaties.) Mijn meest recente boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.