Goed, ik ga proberen een stukje te schrijven. Met moeite. Ik zat namelijk even helemáál niet in die geestestoestand. Misschien nu nog steeds niet hoor. Even proberen. Wacht…

Nou, ik interviewde dus Stine Jensen in Amsterdam. Of dat ging ik doen. Nee, dat héb ik ook gedaan! Zie je, hier gaat het al mis. Ik wist wel dat het nu niet zou gaan lukken.

Nog eens. Ik héb Stine Jensen geïnterviewd, in Café Amsterdam, dus in een café in Amsterdam dat Café Amsterdam heet. O man, ik geef dit zo op hoor.

Enfin, dus ik loop dat grand café binnen – heel ruim, heel hoog, heel mooi, geen muziek, amper tafeltjes bezet – en loop naar een tafeltje toe. ‘Kan ik hier gewoon gaan zitten?’ De jonge ober glimlachte losjes en cool. ‘Zeker, ga lekker zitten. Komt er nog iemand?’ Nou, ik verwachtte natuurlijk Stine Jensen, dus ik zei: ‘Zeker!’ Waarop hij weer lekker losjes en welwillend naar me glimlachte. 

Het gaat ook helemaal mis met de werkwoordstijden in dit stukje, trouwens.

Maar goed. Ik zat wat met m’n vriendin te appen terwijl die ober twee menukaarten neerlegde, en twee keer bestek. Ik hoefde niet te eten, het was 15:30, ik sloeg er geen acht op, ik zat te appen, die jongen legt menu’s neer, whatever.

Waar het om gaat is: Stine Jensen komt en gaat zitten. We drinken thee. Ik interview haar. We kletsen wat, we slaan onszelf op de dijen na een goede grap. Dan zijn we klaar en loop ik naar de tengere vrouw toe die even verderop een tafeltje aan het indekken is. Of ik bij haar mag pinnen, vraag ik.

‘Ja,’ zegt ze. ‘Maar ik wil u er wel op wijzen dat u aan dat tafeltje eigenijk eten had moeten bestellen.’ Ik veins schuldbesef en zeg: ‘Nee toch! En nu?’ Nou, ze vindt het niet een heel groot probleem, maar eigenlijk moet je, als je alleen wat drinkt, aan een ander tafeltje zitten. Want nu is het dan toevallig heel rustig, maar als het druk is dan ben je dus heel veel tijd kwijt aan het indekken van tafeltjes waaraan vervolgens helemaal niet wordt gegeten.

Pff, oké dit gaat zo nog wel, dit gaat oké, doortypen nu.

Dus ik zeg: ‘Ik wist het werkelijk niet!’ Ze vindt het niet erg, zegt ze, maar voor in het vervolg dan, of ik er dan op wil letten. ‘Al bestel je alleen een tosti,’ zegt ze, waarop ik instemmend knik en vraag: ‘En één tosti delen met z’n tweeën? Mag dat ook?’

Dat mag ook, zegt ze.

‘En een tosti met z’n vieren, mag je dan ook nog daar zitten?’

Ze staart me aan. Ze pikt de ironie in m’n stem wel op, maar de zaak gaat haar te zeer aan het hart, en dus zegt ze: ‘Ja, dan ook nog.’

Dus ik vraag: ‘En als we met z’n achten een tosti best-’

O fuck it, ik heb echt geen zin meer. Ik schrijf morgen deel twee wel.


Hier staat vandaag niks.

Een gedachte over “indekken

Reacties zijn gesloten.