Ik zag de vriendin van één van mijn beste vrienden op de hoek van mijn straat liefkozend praten tegen een geparkeerde, lege auto.

Wat bleek: haar kat zat eronder. De kat van haar en die vriend van mij. De kat die ze al meer dan een jaar kwijt waren. Splinter of Snoever of Spinner of iets dergelijks. Nietsvermoedend fietste ze door de wijk toen ze hem ineens zag zitten.

Ik zakte door mijn knieën en zag hem ook. Hij was mager en had zweren aan zijn kop. Een ontstoken oog. ‘Jezus,’ zei ik.

‘Ja,’ zei de vriendin. Ze had net haar vriend geappt, die goeie vriend van mij, die er nu aankwam, ook al lag hun dreumes onbewaakt thuis een middagdutje te doen.

Met z’n drieën riepen we naar de kat. ‘Snoeter, kom dan!’ ‘Stoffer, wij zijn het!’ De kat bleef zitten waar hij zat en loerde met wantrouwende ogen terug de tijd in, helemaal tot waar de duivel in zijn eerste grote pan met angst en lijden zat te roeren.

‘Swiffer is er echt heel slecht aan toe,’ zei mijn vriend. Hij en zijn vriendin konden het haast niet geloven. Was het echt hun kat? Ja, het kon niet anders: het patroon van de vlekken op de vacht, dat ene zwarte pigmentvlekje op de neus. Ontroering en bekommering maakten zich van hen meester.

Hoe vaak en hoe lief we ook riepen, Slabber kwam niet onder de auto vandaan.

Wie er wél vandaan kwam, maar dan uit een nabijgelegen huis vandaan, was een vrouw die eiste te weten waarom wij naar haar kat zaten te roepen. Ze vouwde haar armen over elkaar. Die armen waren tenger en bleek, prominente jukbeenderen ondersteunden haar holle ogen.

‘We dachten dat het onze kat was,’ zei de vriendin verontschuldigend. Opnieuw keek ze naar Snoetmans. Ze dacht wat wij allemaal dachten: als dat echt de kat van die vrouw was, waarom ging ze er dan niet mee naar de huisarts? Was het niet tóch stiekem Snoezems? Had die vrouw hem niet gewoon gejat?

Maar toen riep de vrouw hem: ‘Sjefke!’ En Sjefke kwam meteen. Hij liep het huis in. De deur ging dicht.

We namen afscheid. Mijn vriend en z’n vriendin fietsen naar huis, waar hun kindje lag te slapen. Het kindje dat, simpelweg door geboren te worden, Snurker toch al naar de tweede plek had geschopt.

Ik liep naar huis en dacht aan Snorkel. En aan Sjefke, die heel misschien tóch Snorkel was. Sjefke, die misschien gewoon niet meer wist hoe hij nou werkelijk heette. 


Stukjes, stukjes, get your free stukjes!