Ik zat met de twee bouwvakkers aan mijn nieuwe keukentafel in mijn nieuwe keuken. Het meeste van hun werk was al gedaan; ze waren buiten nog iets met tegels aan het doen. De nieuwe, enorme pui stond open; warm zonlicht viel binnen. Ze aten een boterham, de ene van middelbare leeftijd en de andere nog jong. (De bouwvakkers, niet hun boterhammen.) (En nee, het waren niet Ronnie en Bas uit Hemingway is gecanceld.) Een koolmees landde in de tuin. Ik dronk koffie. We praatten wat.

Dat tegenwoordig ouders ervan uitgaan dat hun kinderen het slechter zullen hebben dan zij, daar spraken we over. Dit in tegenstelling tot vroeger, toen men ervan uitging dat de nieuwe generatie het juist beter zou hebben. Ik wilde het tegenspreken, zeker met dat hoopvolle lentezonnetje en die koolmees die af- en aanvloog, maar ik moest het beamen: ik vrees vaak het ergste voor mijn zoons. Ik vreesde ook altijd het ergste voor mezélf, zo zonder diploma’s of doorzettingsvermogen of commercieel instinct. Nog steeds vind ik het een kwestie van mazzel dat ik bleek te kunnen schrijven en mezelf daarmee kon redden.

Dat vertelde ik aan die bouwvakkers, over die mazzel, maar zodra ik het had uitgesproken had ik spijt. Of beter gezegd: ik voelde de moed in mijn schoenen zakken. Een dag eerder had een belangrijke opdrachtgever de samenwerking met me opgezegd. Daar dacht ik nu weer aan. Veronica Magazine, waar ik het afgelopen jaar wekelijks een tv-recensie voor mocht schrijven. Ze hadden een nieuwe eigenaar en alles ging op de schop. Het was een klus die even makkelijk als lucratief was en waarvan ik mezelf, naïef genoeg, afhankelijk had laten geworden. Dat is misschien het nadeel van geloven in mazzel, dat je daarmee ook de mogelijkheid van pech in het leven roept. Dat mijn laatste roman het doel niet raakte, moest ik dat ook aan pech toeschrijven? Nu vervloekte ik het schrijverschap, en niet voor het eerst. Ik maakte dit al vaker mee. Altijd die vrees, die onzekerheid, wedden op een mooi maar mank paard. De beklemmende onzekerheid van het ZZP’er-schap.

Volgende week heb ik, voor het eerst sinds een jaar of vijftien, een echt sollicitatiegesprek. Dus daar dacht ik nu ook aan. Aan wat me te wachten stond. Dingen als vakantiegeld, pensioen en de welbekende vrijmibo. En collega’s!

De jonge bouwvakker wilde absoluut geen kinderen, beweerde hij. Waarom hen dat aandoen? Hij was er heel stellig over. Er mochten van hem ook een heleboel mensen sterven aan een virus, want we waren met veel te veel. De oudere bouwvakker, een vader, hoorde het aan en at z’n boterham. De koolmees ritselde tussen de dode, verdorde, bij elkaar geharkte takken van mijn vermoorde blauweregen, en vloog weg.

 


Je kunt je op deze stukjes heel makkelijk abonneren. Maar hóé dan?! Dat is wat je nu natuurlijk wilt weten. Nou, klik HIER. Dan wijst het zich vanzelf.