In de sportschool deed een oefening voor mijn triceps toen een jonge instructeur langsliep en tegen me zei: ‘Knoest.’ Hij bedoelde het als compliment, maar ook een beetje spottend; een vriendelijk geintje. Hij had ook kunnen zeggen: kleerkast. Ik ben heus niet heel breed, maar ik ben ook niet slap. Wat hij er ook vooral mee bedoelde was: goed bezig.

Maar dat is niet het punt dat ik wil maken. Waar het me om gaat, in dezen, is de golf van trots die ik voelde, de geluksstofjes die ik aanmaakte. De leraar had me een complimentje gegeven! Een leraar van twintig jaar jonger die, zo schat ik het in, niet vaak een boek openslaat. Dat deed er niet toe; ik was weer een kind, blakend in het aangezicht van een goedkeurende meerdere. Hoe gevoelig ik daarvoor ben! Hoe makkelijk ik me mee omhoog laat voeren wanneer gevlijd en hoe diep ik val bij de minste hint van kritiek of de vrees iemand te hebben teleurgesteld!

Veertig jaar—bijna éénenveertig—en nog steeds heb ik geen kompas dat trouw naar het Noorden wijst, hoe de wind ook staat, hoe de zee ook klotst en schuimt.

Dit verklaart waarschijnlijk ook mijn fascinatie voor het boeddhisme, want heel kort door de bocht is dat de leer die de Boeddha ontwikkelde: hoe het kompas recht te houden in de storm van je emoties, dus zonder je al te zeer van de kaart te laten brengen door enerzijds wenselijk en anderzijds onwenselijk. Die leer wordt vaak verkeerd geïnterpreteerd; mensen denken dat je moet leren om niets meer te willen, om nergens meer naar te verlangen; dat je een soort apathische cactus moet worden. Maar zo is het niet; een aanwijzing daarvoor vind je in die lichte glimlach die je (op afbeeldingen) vaak op het gelaat van de Boeddha ziet. Je hoeft alleen maar om die emoties te kunnen lachen, omdat je ze zíét, en ziet voor wat ze zíjn, zodat je ze als golven in zee onder je door kunt laten gaan, zonder erdoor te worden meegesleurd.

Ik heb nog altijd het plan om een non-fictie boek te schrijven dat heet: Ik ben de slechtste boeddhist die ik ken.

Gisteren op de fiets in de bossen luisterde ik naar Met Groenteman in de kast, de podcast van Gijs Groenteman. In deze (aangrijpende) aflevering sprak hij met schrijver Anton Dautzenberg. Toen Dautzenberg vertelde over iets wat hij en Groentemen (en ik) zagen als onrechtvaardig en belachelijk, zei Groenteman verontwaardigd: ‘Maar dat is toch ongelofelijk!’ Waarop Dautzenberg heel kalmpjes zei: ‘Ja, maar zoveel is ongelofelijk.’

Dat vond ik prachtig.

 


Je abonneren op deze stukjes is gratis en kan HIER.