Op Koningsdag trek ik zo rond het middaguur het rolgordijn naar beneden. Het wordt te druk op straat, er staan te veel mensen buiten. Voor één huis staat zelfs zo’n hoge, plastic tafel met borrelhapjes erop. De zon schijnt, er klinkt muziek. Het rolgordijn trek ik naar beneden omdat de mensen me anders kunnen zien, kunnen zien dat ik er ben, dat ik binnen ben en binnen blijf, en dat ik dus niet naar buiten kom.

Als enige niet meedoen heeft altijd iets arrogants. Of althans, dat vrees ik. Die gedachte, in het hoofd van een ander, zou ik het ergste vinden. Ik zou de voordeur open moeten doen en roepen: ‘Maar dat is het helemaal niet!’

Wat het wel is: ik hou niet van Koningsdag, van drukte, van dat sfeertje. Ik ken mezelf: ga ik erbij staan dan ga ik drinken, tegen dat gevoel van ongemak, en dan blíjf ik drinken. De afweging is dus ook: heb ik zin om dronken te worden, accepteer ik…

 


De rest van dit stukje lezen? Je abonneren op al mijn stukjes? Klik dan hier.