Naar aanleiding van het stukje van gisteren kreeg ik een mailtje. De verdwaalde walnoot, die nu ontkiemd is, was in mijn tuin terecht gekomen door een kauw of een kraai, zo schreef die persoon. Die vogels pakken ze op en laten ze vanuit de lucht weer vallen, om ze zo te kraken.

Het eerste wat ik dacht was: een kraai. En het tweede wat ik dacht was: natuurlijk.

Want ik ken die kraai. Die kraai zie ik al jaren. Of eigenlijk zie ik hem nooit, maar ik weet dat hij er is. Ik weet dat hij me volgt en me in de gaten houdt. Ik hoor hem met zijn veren ritselen, ik voel de luchtverplaatsing als hij met zijn vleugels slaat.

De kraai was er misschien zelfs daarvoor al, zo lang als ik leef, maar meer als een idee, een mogelijkheid. Latent. Pas een paar jaar geleden materialiseerde hij, glanzend zwart en prachtig zelfverzekerd, als een voorwereldlijke demon die, door de juiste stand van de planeten en de nodige bloedoffers, na een eeuwenlang bestaan als ijle lucht nu eindelijk weer de vorm van een levend wezen had aangenomen. 

De kraai landde op het dak van het tussenhuisje waar ik woonde nadat ik mijn vrouw had verlaten. De kraai vloog door de visioenen die ik had tijdens mijn ayahuasca-ceremonies. De kraai fladderde bezeten rondom het hoofd van mijn ex-vriendin en joeg haar weg. De kraai zat kakelend op de vensterbank van de psycholoog. De kraai volgde me naar Ecuador, waar ik mijn heil zocht bij een redneck-sjamaan uit Oklahoma die me magische cactussen voerde. De kraai lachte hees toen ik weer met medicatie begon. De kraai liet veren vallen tussen mij en mijn zoons, net zo lang tot het een muur was geworden en ik hen niet meer goed kon zien of horen.

De kraai die zelfs God, vlak na de Creatie, niet met rust liet:

 

“Well,” said Crow, “What first?” 

God, exhausted with Creation, snored. 

“Which way?” said Crow, “Which way first?” 

God’s shoulder was the mountain on which Crow sat. 

“Come,” said Crow, “Let’s discuss the situation.” 

God lay, agape, a great carcass.

 

De kraai, die de zon te wit vond en daar iets aan trachtte te doen:
 

He decided it glared much too whitely. 

He decided to attack it and defeat it. 

He got his strength flush and in full glitter. 

He clawed and fluffed his rage up. 

He aimed his beak direct at the sun’s centre. 

He laughed himself to the centre of himself

And attacked.

 

De kraai, die soms ook verbaasd en vermaakt naar zichzélf kijkt:

 

Crow realized God loved him-

Otherwise, he would have dropped dead. 

So that was proved. 

Crow reclined, marvelling, on his heart-beat.

 

Die kraai dus. Die heeft nu een walnoot in mijn tuin gegooid. Ik weet niet hoe ik dat moet interpreteren. Bij de kraai weet je nooit zeker of hij je plaagt, of je wil helpen, of iets van je verlangt, of iets tegen je wil zeggen, of dat hij slechts iets uit zijn verendek plukt en niet eens weet dat je er bent.

Toch kan ik niet anders dan dit plantje, dat uit de walnoot van de kraai groeit, te zien als een teken van hoop en aanmoediging. Misschien ook als een uitdaging. Ter leering, voor mij, ende vermaeck, voor de kraai.

Want zo is hij:

 

When God, disgusted with man, 

Turned towards heaven. 

And man, disgusted with God, 

Turned towards Eve, 

Things looked like falling apart. 

But Crow . . Crow 

Crow nailed them together, 

Nailing Heaven and earth together – 

So man cried, but with God’s voice. 

And God bled, but with man’s blood. 

Then heaven and earth creaked at the joint 

Which became gangrenous and stank – 

A horror beyond redemption. 

The agony did not diminish. 

Man could not be man nor God God. 

The agony 

Grew. 

Crow 

Grinned 

Crying: ‘This is my Creation,’ 

Flying the black flag of himself

 


De fragmenten hierboven komen uit verschillende gedichten van Ted Hughes.

Je abonneren op deze stukjes? Dat kan hier.