Ik weet niet waarom mensen zo verontwaardigd zijn over het uitsterven van al die dieren in het wild. Ze lijken zelfs verbaasd, alsof ze iets anders hadden verwacht. Het lijkt een soort arrogantie: te veronderstellen dat wij anders zijn dan kroos, dan koraal, dan een klimplant op zoek naar de zon.

Soms zie je een vijver met een dikke laag kroos erop. Alles in die vijver gaat dood, en daarna ook het kroos zelf. Nu zul je misschien zeggen: ja, maar het kroos heeft geen verstand, het kroos weet niet beter.

Misschien weten wij ook niet beter. Misschien dénken we alleen maar dat we beter weten, omdat we onze eigen gedachten zo goed kunnen horen. Maar samen zijn we één organisme, en dat organisme sjokt voort, en vreet, en heeft wellicht te hoge verwachtingen van de eigen ratio.

Mijn eigen ratio is, vermoed ik, voor minder dan vijftig procent verantwoordelijk voor mijn daden. Misschien nog veel minder. Ratio, naar mijn idee, is vooral bezig met zichzelf wijs te maken dat het de kar bestuurt.

Als ik vanuit een vliegtuig (niet vliegen!) op een stad neerkijk dan zie ik een koraalrif. Zoals die prachtige bouwwerken onder water het resultaat zijn van het vreten en leven en neuken van die kleine zeediertjes, zo zijn flatgebouwen en wegen en schouwburgen het resultaat van óns vreten en leven en neuken. Ik zie werkelijk geen verschil tussen steden en koraalriffen, geen verschil tussen zeediertjes en mensen.

Ratio, ja. Bewustzijn, vast. Alsof we daar ons dier-zijn mee kunnen ontstijgen, of plots niet meer tot de natuur behoren. (Dat vind ik ook altijd zoiets geks, als mensen zeggen dat iets ‘onnatuurlijk’ is. Alsof dat kan.)

Nee, ik neem het kroos niets kwalijk. Wel zou ik het verwijderen, als het mijn vijver was.

Gisteren hadden mijn jongste zoontje en ik het over gevaarlijke dieren. Ik zei dat mensen ook heel gevaarlijke dieren zijn, misschien wel de gevaarlijkste. Dat vond hij in eerste instantie maar vreemd, maar even later begreep hij het. Zelf vond ik het ineens ook vreemd. Ik stelde me gevaarlijke dieren voor en ik zag klauwen, scherpe tanden, gespitste oren en stekels met gif, en giftanden, en spieren, en duizelingwekkende snelheid. Wat gek, dacht ik, dat wíj het gevaarlijkste dier zijn, met onze slappe lijven en botte tanden en sullige hoofden, met onze kartonnen bekers Starbucks-koffie en mobieltjes en het tweede product gratis. Maar toen ik er nog langer over nadacht vond ik ons ineens veel enger dan tanden en klauwen. Juist dat weke, slappe, stompe, botte, niksige. Dat rechtoppe, mompelende, haarloze. Het engste dier van allemaal.

Nou ja, goed… Begrijp me niet verkeerd, ook ik heb liever niet dat de dieren uitsterven. Alleen denk ik soms ook wel eens: als er op deze planeet helemaal niets meer leeft – geen dier en geen mens – is dat dan zonde? Ik bedoel, als er niemand meer is om het zonde te vinden…


De gebruikelijke attent-making op een abonnement of op mijn boeken zal ik na dit stukje maar een keer achterwege laten hè?