De man verscheen uit het niets. Ik was net het cafégedeelte van het kleine maar gezellige theater in Boxmeer binnengelopen en stond te kletsen met een vrouw van het literatuurprogramma waaraan ik zou meedoen, toen de man opdoemde als die ene ober in Het Klokhuis, die als een geest uit de fles plots aan het tafeltje staat, nog net niet met een kleine explosie en wolkje rook. 

Het exacte moment van zijn magische verschijning was toen de vrouw me had gevraagd of ik alweer met een nieuw boek bezig was, en zo ja, wat het zou worden. ‘Fictie,’ antwoordde ik. ‘Ik ben even klaar met het ontleden van mijn eigen leven.’

En poef. Daar stond hij, hoog en kaarsrecht, een lange man van in de vijftig met een overhemd keurig in de broek. ‘Gelukkig,’ was het woord dat hij uitsprak, met een zucht van opluchting.

Ik knipperde een keer verward met mijn ogen. Waar was deze man ineens vandaan gekomen? Tijd om te informeren naar zijn toverkrachten had ik niet, aangezien hij al verder praatte: ‘Ik vind je fictie veel beter,’ zei hij, zonder enig ongemak. ‘Dat laatste boek was larmoyant en stond vol met tegeltjeswijsheden.’

Ik stond hem nog steeds perplex aan te staren. Door wie was deze geest gezonden? Was hij een hallucinatie? ‘O,’ stamelde ik met een lachje. ‘Nou, oké. U heeft geluk, ik ga weer fictie schrijven.’

‘Veel beter,’ zei hij direct. Hij keek me aan met een mengeling van zelfgenoegzaamheid en vermaak. Deze man was gewend te zeggen waar het op stond en had daar het volste recht toe. Een integere man, een man zonder omwikkelde doekjes.

Toen we elkaar zo een tijdje hadden staan aanstaren, en ik eerlijk gezegd toch ook wel benieuwd begon te worden naar de goocheltruc waarmee hij zichzelf weer zou laten verdwijnen, zei hij met een glimlach: ‘Je bent toch niet gekwetst?’

‘Nou, niet heel erg nee,’ zei ik. ‘Maar wel een beetje.’ Zoiets doet op z’n minst altijd een kléín beetje pijn, alsof iemand je uit het niets kort maar fel in je tepel heeft geknepen. Ik ben tenslotte ook maar een wandelend ego.

Maar dat vond de man maar onzin. ‘Kom op zeg,’ zei hij, verontwaardigd. ‘Zo’n dunne huid heb je toch niet?’ Hij was nu teleurgesteld in zowel mijn laatste boek als in mijn gebrek aan een dikke huid. 

Ineens was hij verdwenen, maar na het programma – poef – doemde hij weer op, dit keer met mijn roman Bidden en vallen in de hand. Die moest ik signeren. Ook dicteerde hij wat ik erbij moest zetten. ‘Mijn beste boek,’ moest ik opschrijven. Hij keek mee terwijl ik het schreef. Waarschijnlijk verwachtte hij dat ik ook dit nog zou verkloten.


Abonneren op deze stukjes? Dat kan hier. Het larmoyante boek vol tegeltjeswijsheden heet Berichten uit het tussenhuisje.