Dat je als schrijver ook een artiest moet zijn, dat blijf ik lastig vinden. Sommigen gaat het gemakkelijk af, die lijken het als vanzelfsprekend te beschouwen. Ik vind het ingewikkeld. Nog steeds. Of eigenlijk iedere keer opnieuw. Ik moet me er iedere keer weer opnieuw toe verhouden.

In feite heeft schrijven helemaal niets met optreden te maken. Met voordragen. Je eigen werk oplezen ligt op geen enkele manier in het verlengde van schrijven. Schrijven is creëren, verzinnen, en dan met een reeks symbolen—het alfabet—die verzinsels een plekje geven, een pagina, waar ze worden bewaard voor de toekomst, voor een lezer. Maar als die lezer de verzinsels leest ben jij allang niet meer aan het schrijven.

Voor iemand die de verzinsels tot zich neemt is het anders. Of diegene de verzinsels nou leest of aanhoort, daartussen zit in wezen maar weinig verschil. Dus de tot-zich-nemer zal er wellicht van uitgaan dat er ook voor de schrijver niet veel verschil zit tussen schrijven of voorlezen. Ik denk dat het misverstand hier zijn oorsprong heeft. Een tot-zich-nemer redeneert: of die schrijver het nou opschrijft of voorleest, dat is mij om het even

Maar mij is het zeer zeker níét om het even. Afgelopen zaterdag moest ik voordragen in het Stedelijk Museum van Breda. Vijf keer hetzelfde rondje, iedere keer voor nieuw publiek. Om het uur moest ik weer aan de bak. Een kwartiertje voordragen, me vijfenveertig minuten vervelen, dan weer een kwartiertje voordragen, enz. Ik stond op een blok in de Dongenzaal. De groepen bestonden uit zo’n dertig mensen. Ik droeg iedere keer dezelfde stukjes voor. Het had níéts met schrijven te maken. Ik stond daar niets te verzinnen. Ik stond geluid te maken, en zocht naar een ritme, een klank, een presentatie die succesvol zou zijn. Dat lukte iedere keer een beetje beter. Bij de eerste ronde dacht ik: dit wordt niks, ik wil naar huis. Bij de laatste dacht ik: ik ben een artiest, ik moet veel meer optreden, ik heb hier talent voor.

Iedere keer moet ik het weer opnieuw leren. Opnieuw een houding vinden die comfortabel is. Ik doe het net niet vaak genoeg om geroutineerd te worden; na tien jaar heb ik nog altijd geen automatische piloot tot mijn beschikking.

Mijn vriend Theo zegt wel eens tegen me: ‘Jij zou een stand-up comedian kunnen zijn.’ Dat zegt hij bijvoorbeeld als ik met veel handgebaren klaag over de wereld en hoe die weigert zich aan mijn wensen en behoeften te conformeren. Ik denk wel eens: misschien heeft hij gelijk. Maar dan sta ik weer eens ergens met een boek in mijn handen en ben ik weer van mening dat het belachelijk is. Voordragen überhaupt. En die stukjes zijn al oud, die vind ik zelf al niks meer aan, wat ik vervolgens op de toehoorder projecteer: zij zullen het dan ook wel niks aan vinden.

Ik wil alleen maar zeggen: eigenlijk slaat het nergens op dat iedereen er altijd maar van uitgaat dat schrijvers ook artiesten zijn. Dat ze het van ons verwachten. Het zou andersom moeten zijn. Als een schrijver op een podium stapt en begint voor te dragen, dan zou de reactie moeten zijn: mijn god, wat is die schrijver daar van plan?! 


Abonneer je gratis op deze stukjes: HIER