Mijn jongste werd dinsdag aangereden door een auto. Ik stond op Utrecht CS op de trein te wachten, dus ik was er niet bij. Hij zat op de fiets, mijn ex was al wat verderop. Toen hij wilde oversteken riep ze nog dat hij moest uitkijken. Hij ging tussen twee geparkeerde auto’s door en keek niet goed. De auto, die daar dertig mocht maar wellicht iets harder reed, raakte hem. Hij vloog over de motorkap. Het hart van mijn ex moet een paar slagen hebben overgeslagen en haar maag zal als een supernova zijn bezweken aan de eigen zwaartekracht, verworden tot een zwart gat.

Ineens is daar het moment waarop het klaar kan zijn. Zo gemakkelijk, zo banaal. De dood geeft niks om dramaturgie, verlangt geen doordachte scène voor het moment van overlijden.

Zo gemakkelijk. Dat was het dan. Net ontbeten, hoofd nog vol alledaagse zorgen. Je denkt dat het niet zomaar kan omdat het niet zomaar zou mógen kunnen.

Maar: This had happened too often before/ And was going to happen too often in the future/ And happened too easily/ Bones were too like lath and twigs/ Blood was too like water/ Cries were too like silence/ The most terrible grimaces too like footprints in mud. (Uit Crow’s Account of The Battle van Ted Hughes.)

En zo is het. Maar goed, hij had alleen een gekneusde pols en een schaafwond op zijn elleboog. En een kromgebogen fiets. En, volgens mijn moeder, een engeltje op zijn schouder.

Toch lijkt hij kwetsbaarder dan eerst. Misschien is ook hij zich nu bewust van zijn botten als latten en takjes, zijn bloed als water, zijn schreeuw als stilte. Hij lijkt wat bleker, wat voorzichtiger. En ik wat wanhopiger, wat zekerder van mijn machteloosheid.


Stukjes, stukjes, abonneer je er hier op.