Nog even over Leonard Cohen. In mijn vorige stukje sprak over zijn leven als een film met een schitterend einde. Heel gek is dat niet, aangezien ik een film over zin leven had gezien. De film had als leidraad de tragische liefde tussen hem en Marianne Ihlen, die ik zijn muse noemde.

Nu las ik gisteren in de Groene Amsterdammer een essay van Niña Weijers over Lou Salomé (ik kende haar niet), die volgens de overlevering de muse was van Friedrich Nietzsche en andere belangrijke mannen (vonden die mannen ook vooral zelf) uit die tijd. Weijers schrijft hoe vals dat eigenlijk is. Lou Salomé was een onafhankelijke en vrijgevochten schrijfster, en dat in een tijd waarin dat véél moeilijker was dan nu. Haar tot een muse van een ‘belangrijke’ man reduceren is verwerpelijk. Waarom was Nietzsche niet háár muse?

Laten we niet uit het oog verliezen dat Leonard Cohen ook een beetje een lul was. Zijn Marianne was zijn alles. Tot hij beroemd werd en het leven van een ster lonkte. Zij bleef achter met een ‘gewoon’ leven en een zoontje dat al geen vader had en nu ook nog zijn nieuwe vader moest missen. Een onrustige ziel, Cohen. Zoeken, zoeken. Wild, wild. Dan plots de andere kant op: de stilte van een streng zen-klooster in. Een meisje dat ik ken zou hem een ‘radicaaltje’ noemen. Het overal denken te vinden, steeds rare sprongen maken, het overal zoeken, behalve bij die Marianne, die, ook al trouwt ze uiteindelijk met een goede (maar saaie) man, van hem blijft houden. En hij van haar.

Lul, dacht ik ineens. Je bent een lul. En die Marianne was je muse niet. Haar leven was gelijk aan het jouwe.

Maar goed, die onrust in zijn ziel. Die is mij niet vreemd. Waarschijnlijk zat ook dat me dwars aan hem en aan die film: de herkenning. Was toch met haar oud geworden, wilde ik naar hem roepen. Waren vijf jaar in haar armen niet fijner geweest dan vijf jaar lang om vier uur opstaan, mediteren, je meester dienen en weer in je eentje gaan slapen?

Ik ben er boos over omdat ik het snap. Die stilte die hij zocht. Eenzaam, ja, maar toch ook verbonden, op zijn eigen manier, en naar ik vermoed met een hart vol liefde. Grote liefde.

Maar ik wil het niet. Ik wil mijn hart met liefde niet in mijn eentje naar mijn graf dragen.

Dat is de strijdlust die ik voelde toen ik de bioscoopzaal uitliep. Ik wilde kunnen liefhebben. Een mens, een vrouw. En niet pas mijn liefde aan haar kunnen verklaren als ze op haar sterfbed ligt (al is dat natuurlijk beter dan helemaal nooit) en ook ikzelf op het punt van vertrek sta.

Nou ja, dat wilde ik nog even zeggen, dat je het leven van een ster als Cohen niet alleen maar moet romantiseren, en de vrouwen in zo’n leven niet moet reduceren tot personages die er slechts zijn om het verhaal allure geven. (Ja, ik weet heel goed dat je daar bij het maken van een docu niet aan ontkomt; je volgt tenslotte de levensloop van één iemand, die daarmee automatisch het hoofdpersonage wordt.)

Maar éígenlijk wilde ik schrijven dat ik van meerdere abonnees hoor dat mijn stukjes in de spamfolder terechtkomen. Vooral Gmail lijkt mijn werk als reclame te zien. Ik wilde schrijven: Let op, het kan zijn dat mijn stukjes in je spamfolder zitten! Maar toen realiseerde ik me dat alleen de mensen bij wie dat níét het geval is dat zouden lezen, en dat ik de mensen bij wie het wél het geval is niet kan bereiken, omdat bij hen natuurlijk ook dit stukje in de spamfolder belandt. Heel frustrerend!

Deze frustratie neem ik mee op mijn zafu, oftewel meditatiekussen.


Nog steeds verkrijgbaar en nog steeds een béétje nieuw: mijn stukjesbundel Niets zal ons redden maar een beetje liefde is oké.