Gisteren en eergisteren waren de eerste lentedagen. Februari, winter, maar toch lente. Ik liep in het bos en rook het, voelde het. Je weet hoe dat kan zijn. Het is waanzinnig wat dat kan losmaken aan gevoelens, associaties, verwarring, verlangen. De warmte trekt de aroma’s uit de bomen, uit het mos, uit de aarde. Elixers.

Toch merk ik dat ik, naarmate ik ouder word, tot mijn spijt steeds vaker het gevoel heb dat zo’n ervaring, dus op het moment zelf, het nooit haalt bij de associaties die de ervaring óproept.

Gisteren, toen ik het bos zo rook, de atmosfeer zo voelde, werd ik bevangen door het verlangen naar méér van die ervaring. Nee, door het verlangen naar de wáre ervaring. Ik stelde me daar een mooier bos bij voor, misschien met een riviertje, misschien met een hengel, misschien met mijn broers erbij, of mijn zoons, en dat er dan ook een barbecue was en ik op de oever een grote libelle zag landen. De beleefde ervaring was dus eigenlijk helemaal geen echte ervaring; hij wéés slechts naar een echte ervaring.

Wat een armoe. Zeker als je beseft dat die echte ervaring, de ervaring waarnaar het verlangen is ontstaan, óók de echte niet is. Dat die niet bestaat, in feite. Of niet meer bestaat. Dat een ervaring, hoe ouder je wordt, steeds vaker slechts een pijl is die wijst naar het echte dan wel ingebeelde (of op z’n minst geromantiseerde) verleden. En dat als je daar daadwerkelijk staat, in dat riviertje, met je hengel (ik hou niet eens van vissen), op die perfecte zomeravond, dat het dan nog stééds niet helemaal zal zijn wat je hoopte dat het zou zijn. Dat er ook dan weer een verlangen wordt opgewekt, of melancholie, of nostalgie. (Melancholie en nostalgie zijn vormen van verlangen, denk ik.)    

Met andere woorden: je komt steeds meer in een wereld van fletse kopieën te leven.

Ik ging zitten op het bankje op de heide waar ik ooit met een ex-vriendin zat. We hadden LSD genomen. Het was zomer. Ik huilde daar, op dat bankje. De liefde in mijn hart scheen door alles heen. Mijn bewustzijn werd het bewustzijn van de aarde zelf. Liefde is dan het enige wat ertoe doet, maar een mens komt altijd weer terug in het eigen lijf, neemt altijd weer de eigen vorm aan. We wisten het toen nog niet, maar onze relatie had z’n beste tijd al gehad. Dat was gek, want zo lang hadden we nog geen verkering; toch waren er in die korte tijd al dusdanig veel spanningen en onbegrip ontstaan dat het voelde als een scheefgegroeid huwelijk van twintig jaar.

Ik zat nu weer op dat bankje en dacht eraan terug. Aan de fles port die we hadden meegenomen. Het plekje onder de boom waar we ook hadden gelegen. Hoe ik huilde, hoe zij er ineens niet meer was en ergens anders stond, haar gezicht de andere kant op, turend naar iets wat daar was, aan de horizon.

Dus ik zat hier nu wel, maar ik zat er niet. Niet echt.

 


Een sympathieke persoon abonneert zich op deze stukjes. Het is gratis en kan HIER.