Ik weet niet of het me zal lukken, of hoe ik het precies moet aanpakken. Misschien is het een luchtkasteel(tje). Maar zo begint een stukje altíjd, als een vaag bouwwerk in de verte, als een luchtspiegeling. Pas als het klaar is kan ik zien wat het moest worden. Soms heb ik er vertrouwen in en weet ik zeker dat het me zal lukken, maar soms ook helemaal niet, en dit stukje, vandaag, behoort tot die laatste categorie. Ik wil twee citaten met elkaar verbinden, eentje uit Amerika en eentje uit India.

Ik lees de gebundelde stukjes van Maeve Brennan, een in 1993 overleden schrijver, werkzaam bij  het intellectueel verantwoorde The New Yorker. Soms zijn ze heel saai, haar stukjes, maar dan ineens schitteren ze. Ze schrijft over het kleine, het subtiele; vooral over de mensen die ze ziet op de straten van New York.

Eén stukje eindigt ze zo: What we are waiting for—a respite, a touch of grace, something simple that starts us wondering. I am reminded of Oliver Goldsmith, who said, two hundred years ago, ‘Innocently to amuse the imagination in this dream of life is wisdom.’

Die alinea volgt op een lange, vrij saaie observatie en lijkt er haast los van te staan. Maar hij vat het heel mooi samen, en niet alleen dat stukje, maar eigenlijk élk stukje, en niet alleen dat van haar maar dat van iederéén, en iedere roman, en ieder schilderij, etc. Waar we altijd op wachten, waar we altijd op hopen: respijt, genade, verwondering. En dan dat citaat van Goldsmith: speels de droom die dit leven is ondergaan; het leven dat we dromen.

Naast die bundel van Brennan lees ik ook een boekje uit de Elementaire Deeltjes reeks. Ik kocht er drie (aanbieding: drie voor twee). Eentje over God, eentje over niets (wat is niets?) en eentje over populisme. Nu lees ik die over God. Daarin kwam ik een citaat tegen van ene Appar, een dichter uit het India van de zevende eeuw. Hij omschreef God als volgt:

Onze enige taak is om in vreugde de lof

te zingen van hem die zich openbaart

als het bewegende en het stilstaande,

als aarde, water, vuur, wind en hemel,

als het kleine en het grote,

als moeilijk te bereiken, maar toch makkelijk verkregen

door zijn geliefden,

als de hoogste werkelijkheid, onmetelijk groot,

als oneindige Sadāśiva, als jij en ik.

Toen ik dat las dacht ik: ja, dát is het. Dat is de beleving en de bron en de essentie van de droom waarover Goldsmith schrijft. En het is het respijt en de genade en de verwondering van Brennan. Het is wat ze zag in al die mensen en al die straten in New York: het bewegende en het stilstaande, het kleine en het grote, etc.

Dus eigenlijk gaan alle stukjes en alle boeken en alle kunst over God.

Kijk, en dit bedoel ik dus. Dat ik hierop zou uitkomen, daar had ik zelf ook geen idee van.

 


Abonneer je vooral op deze stukjes. Gratis. Hier