Sommige gedachten schieten eens in de zoveel tijd weer door je hoofd, en altijd als dat gebeurt is het alsof je het niet had mogen vergeten. Alsof je er iets mee had gemoeten of nog mee moet. Het ergste is als je er niet goed bij kunt, als je niet precies weet wat de gedachte betekent of waarom het wringt. Wanneer het iets van je verlangt.

Al zolang ik hier woon (minus de twee jaar in mijn tussenhuisje, na de scheiding) zie ik vaak een oudere man lopen. Grijze sik, oude kleren, vaal petje. Een wijs gezicht. Een eigenheimer.

Ik zag hem vaak rommelen bij de vuilnisbak op het veldje. In het begin dacht ik nog dat hij verstrooid was, of heel arm, misschien zelfs een zwerver. Pas later zag ik dat hij vuilnis van de grond opraapte en in die vuilnisbak deed. Hij ruimde andermans lege verpakkingen op en hield zo dagelijks het veldje schoon.

De laatste paar jaar doe ik dat zelf ook vaak, in het bos: ik kan niet langs een leeg blikje lopen zonder het op te rapen. De verantwoordelijkheid is niet meer af te schuiven op degene die het er heeft neergegooid. Iedere keer dat ik dat doe fladdert die man mijn hoofd weer in.

Hij had altijd een hond bij zich, een oude, tengere herder. De eerste tien jaar had ik ook een hond. Als de man en ik elkaar passeerden en ik had mijn hond bij me dan moest ik opletten en mijn best doen, zodat mijn hond die van hem niet te grazen zou nemen. (Mijn hond zou niet hebben gebeten, maar eiste wel overgave.)

Op een zeker moment zag ik de man steeds minder vaak. Toch was het alsof hij nog altijd door mijn hoofd liep, ook als ik niet aan hem dacht. Het was een kwestie van tijd voor hij opnieuw in mijn mentale gezichtsveld liep. Als ik weer aan hem dacht had ik meteen dat gevoel weer. Een soort bedrukt gevoel, alsof ik had gefaald.

Laatst werd er aangebeld. Ik deed open en daar stond hij. Hij kwam collecteren voor de kankerstichting. Ik gaf hem de paar muntjes die ik in m’n portemonnee had zitten. Hij wist wie ik was. Hij informeerde naar mijn hond. Die is dood, zei ik. De zijne ook, zei hij. Ik vertelde kort over mijn leven, dat ik ben gescheiden, dat ik geen nieuwe hond wil omdat het nu te onpraktisch zou zijn. Hij luisterde aandachtig en lachte begripvol. Voor hem ook geen nieuwe hond. 

Toen ik de deur sloot vroeg ik me af of dit het was. Of dit gesprekje aan de deur het einde was van mijn gedachten aan hem. Het einde van het gevoel dat ik er nog iets mee moest. Misschien niet. Misschien had ik hem meer moeten vragen. (Was hij wellicht zijn vrouw verloren aan kanker?)

Als ik me nu de geest haal, zoals hij die dag voor me stond, met zijn kalme, vriendelijke ogen, dan vermoed ik dat hij verder helemaal niets van me verlangt. En toch voel ik het nog. Maar als hij het niet is, wie is het dan? 

Ik sloot de deur en liep terug de huiskamer in, moving toward whatever ancient thing it is that works the chains and pulls us so relentlessly on. (Carver.)


Interesse in het doen van een financiële bijdrage of in een plus-abonnement? Klik hier. Mijn laatste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.