De rit naar het huis waar mijn jongste zoon bij een vriendje speelde duurde langer dan gepland. Ik reed in de spits. Vanuit daar moest ik hem en dat vriendje naar jiujitsu training brengen, in Waalre, wat weer compleet ergens anders is. Google Maps stelde voor om de files te vermijden en landelijke buitenweggetjes te nemen, dus dat deed ik, met haast, ongeduldig, geïrriteerd, waardoor ik plots voor een auto van rechts moest remmen en op het natte wegdek slippend tot stilstand kwam. Ik dacht dat ik op een voorrangsweg reed.

De auto, een moderne middenklasser, bleef toeterend stilstaan. Achter het stuur zat een jonge kerel in een overhemd opgefokt te gebaren, naar mij en naar het bord waarop stond dat ik geen voorrang had. Of ik gek was, of ik compleet debiel was; dat was een beetje het sentiment.

Ik articuleerde zo duidelijk als ik kon: ‘SORRY.’ Ook hief ik mijn handen op, zo van: ‘Oeps, ik heb me vergist.’ Maar het was voor hem niet genoeg, zo bleek, want hij bleef foeteren. Zijn auto blokkeerde de mijne.

‘SORRY,’ beeldden mijn lippen nog eens uit. Maar nu begon ik zelf ook irritatie te voelen. Want wat wilde hij nou, dat ik hem een bos bloemen kwam brengen? Rij nou maar door, mongool. Dus dat gebaarde ik met een wapperend handje: dat hij nu zo onderhand wel weer mocht doorrijden. Dat maakte hem ziedend; dat recht had ik blijkbaar niet; ik was hier de mongool. Ik zag de agressie in zijn ogen. Hij opende zijn deur al. En wat deed ik? Ik zei het nog eens: ‘SORRY.’ Hij sloot de deur weer. Nog scheldend reed hij eindelijk weg.

Meteen had ik spijt. Die laatste keer sorry was een zwaktebod geweest. Want toen hij zijn deur opende, daarmee was hij te ver gegaan. Het was een dreigement geweest. Volgens het Handboek der echte mannen had ik direct ook mijn deur moeten openen. En ik wist al wat ik gedaan zou hebben: met m’n handen opgeheven naar hem toelopen, alsof ik in vrede kwam, en hem dan met een kleine, scherpe, verticale elleboog bovenop z’n neus raken. Maar dat had ik dus niet gedaan. De vernedering gonsde in mijn oren.

Even later was er zo’n wegversmalling waar maar één auto doorheen kan. De auto’s van mijn kant hadden voorrang. Zo’n blauw bord stond er. Een auto reed me tegemoet, met daarachter nog twee auto’s. De eerste auto leek er net iets eerder dan ik te zijn, waarop ik woedend gas bij gaf, en zo kwamen we neus tegen neus op die versmalling te staan. Verongelijktheid stond in de ogen van de bestuurder, maar mijn gezichtsuitdrukking deed hem tot inkeer komen, mijn hand lag al op de deurklink. Nu was híj verdomme de mongool. Hij zette de auto in z’n achteruit, waardoor ook de twee auto’s achter hem achteruit moesten. Braaf lieten ze me erdoor.

‘Dat was best dramatisch,’ zei mijn jongste zoon op de achterbank.

Mannelijkheid: het voelt zo echt soms.


Door een eenvoudigweg hier te klikken abonneer je je gratis op deze stukjes. Ook ligt er nu een boek met gebundelde stukjes in de winkel: Niets zal ons redden maar een beetje liefde is oké.