Na de bioscoop (The Witches) fietsten mijn jongste zoon en ik naar huis. Hij is al tien, maar fietsen doet hij te weinig en daarom gaat dat nog steeds niet helemaal goed. Zoals altijd wees ik hem op het belang van het kijken over de schouder. Voor ons stak een bejaarde man schuin het fietspad over, die niet over zijn schouder keek. Wel stak hij zijn hand uit.

‘Kijk,’ zei ik. ‘Die man steekt gewoon zijn hand uit en hoopt dat het goedkomt. Zo moet het dus niet.’

Bij dit tafereel dacht ik aan het fenomeen van de middenbaanrijder op de snelweg, hetzelfde soort blindstaren, hetzelfde kop-in-het-zand-gedrag, alsof je niets verkeerd doet en met de rest van de weggebruikers niets te maken hebt. Natuurlijk vond ik de man ergerlijk.

Toen we achter hem stopten, voor het rode licht, herkende ik hem plots. Hij was grijzer en fragieler geworden, maar hij was mijn geschiedenisleraar, van vroeger, op de middelbare school. Iets met Bruin, meneer Bruinsma, De Bruin. Zijn schouders waren smaller en in zijn ogen zag ik meer schrik dan vroeger, alsof de wereld nu te snel voor hem ging en hem steeds vaker in gevaarlijke situaties deed belanden. Meteen had ik spijt van mijn ergernis. De ergernis veranderde in compassie en de compassie veranderde—vanzelfsprekend, want wat verandert er uiteindelijk níét in?—in melancholie en wanhoop.

Memento mori. In het Kröller Müller, waar ik zondag was, zag ik meerdere schilderijen met dit thema, overduidelijk in het geval van stillevens met mensenschedels, subtieler in bijvoorbeeld de bloemen en landschappen van Van Gogh. Eigenlijk in ieder schilderij van iedere schilder. Als de vergankelijkheid eenmaal in je hoofd zit dan zie je die overal, zelfs in de felste kleuren, in de meest blakende jeugd. Of júíst.

Mijn geschiedenisleraar, toen ik hem zo zag, brak mijn hart. Hem kennende—als ik hem überhaupt heb leren kennen in die paar jaar dat ik les van hem had—voelt hij dat zelf helemaal niet zo. Maar alleen al zijn veranderde, kleinere vorm, vond ik hartverscheurend; het grijzere haar, de bijna vogel-achtige verschrikking op zijn gelaat; oogkleppen op, niet omkijken, stug rechtdoor fietsen, luidruchtige jongeren negeren, geen aandacht trekken en dan weer lekker thuis zijn, waar de klok doortikt en de muren meekleuren met de tijd, op een luie stoel, ontspannen, tot de ogen dichtvallen, dromen van een abstract leven dat je nooit echt hebt begrepen, en dan de diepe, droomloze slaap, de oefen-dood die, ondanks dat daarin niets van ons overblijft, ons er maar niet van kan overtuigen dat er na de dood niets van ons overblijft.

Op school maakte hij het zichzelf altijd makkelijk, deze leraar. Vaak zette hij een documentaire aan en ging dan zelf lekker zitten lezen. Zo’n lesuur leek een eeuwigheid te duren, misschien ook voor hem. Het pensioen moet voor hem eerst een fata morgana hebben geleken en hem toen hebben overvallen. Hij heeft sindsdien het lesgeven nooit gemist, vermoed ik. Je hebt van die mensen voor wie het pensioen een warm bad is. Maar goed, soms moet je van A naar B, daar ontkom je niet aan. En fietsen is gezond. Dat om je heen alles steeds sneller gaat heeft niks met jou te maken. Jij doet wat je altijd al deed. Met je voeten duw je de trappers rond. Je lichaam werkt voor je. En dan ben je thuis.

 


Deze stukjes automatisch en gratis in je mailbox ontvangen? Klik dan hier.