Het was zondag en ik had mijn jongens en ik was mijn zwembroek vergeten. Ik bedoel: we gingen zwemmen. Een tropisch zwembad in Neerpelt, vlak voor de grens met België. Dat ik alles had ingepakt behalve mijn eigen zwembroek, daar kwam ik pas achter in het krappe, hete pashokje.

Het gevoel van verslagenheid was accuut en intens. Ik had juist baantjes willen zwemmen; ze hadden er ook een vijfentwintig-meter-bad. Soms is lichaamsbeweging het enige waardoor ik me goed voel, het enige wat helpt tegen het gevoel van somberte en machteloosheid. Als ik me erop instel, en het kan niet, dan voel ik me slap en week en troebel. Juist deze zondag had ik het nodig; alles was gedempt.

‘Gaat lekker vandaag, of niet pap?’ zei mijn oudste, die blijkbaar doorhad dat ik weer eens leefde in een mist van verwarring en sufheid.

‘Hou je mond,’ antwoordde ik.

De receptioniste kon me niet helpen. Ze verkocht wel zwembroeken, maar dat waren ‘strakke’ zwembroeken, waarmee ze zo’n korte slip van Speedo bedoelde. Die durfde ik niet te dragen. Ook mocht ik de gevonden voorwerpen doorzoeken: misschien lag er nog een oude zwembroek met remsporen tussen.

Even later zat ik op een stoel, in lange broek en longsleeve, te zweten in de tropische hitte. Het vijfentwintig-meter-bad strekte zich voor me uit, blauw en helder. Ik was de enige in het bad met kleren aan. Ik werd bekeken. Ik kreeg blikken. Ik was een viespeuk. 

De mist trok niet weg. Ik wist niet precies wat het was of hoe het kwam. Dit soort geestelijke verlamming wil nog wel eens veroorzaakt worden door een emotie die te groot voor me is; de stoppen slaan door en het licht gaat uit. Eerder die dag had ik gezocht naar een foto waar mijn jongste om had gevraagd, van hem in zijn jiujitsu-pak, en was ik op een hele reeks andere foto’s gestuit. Waarschijnlijk was dat het geweest.

Kon ik maar zwemmen.

Achter me huilde en schreeuwde een peuter. Ik stelde me voor dat ik ook zijn moeder hoorde schreeuwen. Dat er iets heel ergs was gebeurd. Dat ik haar hoorde schreeuwen: ‘Doe dan iets! Help dan toch!’ Ik zou te traag zijn. Ik zou nog steeds die mist niet uitkomen. Het zou als in een droom zijn. Dat kind verdronk. 

Ergens blafte een hond. Niet in het zwembad. En ik hoorde ook helemaal geen hond blaffen. Maar érgens blafte een hond.


Abonneer je gerust gratis op deze stukjes. Dat kan HIER