Ik zat te werken toen er een muis voorbijliep. Een doorvoede, glanzende muis. Ik hoorde al vaker iets in de keuken, de laatste tijd, maar nu zag ik er dan eindelijk eentje lopen. ‘Hé!’ riep ik naar hem, alsof ik vond dat hij me uitleg verschuldigd was. Hij vluchtte weg. 

Meteen daarna las ik een artikel in De Groene, van een schrijver die een soort analyse had gemaakt van ‘volkse’ schrijvers. Dat ben ik, blijkbaar, omdat ik tatoeages heb. Ik werd op een hoop gegooid met een stel andere schrijvers, die ook volks waren. Wat die schrijvers en ik gemeen hebben, volgens de auteur, is, komtie: dat je bij ons geen stilistische virtuositeit zult aantreffen, geen ironie, geen geraffineerd gegoochel met de werkelijkheid én geen diepere lagen. Bij de auteur van het stuk zul je dat allemaal wél aantreffen, dat begrijp je. Dit verschil tussen ons en hem is voor de auteur heel belangrijk, en omdat hij blijkbaar vreesde dat sommigen het verschil misschien niet langer in de gaten hadden, wijdde hij er een stuk aan (een andere reden voor het stuk kan ik werkelijk niet bedenken). En De Groene dacht: prima, leuk, relevant, doen we.

Het maakte me neerslachtig. Dat essay en de muis. Een boswachter op Twitter vertelde me dat levend vangen en dan uitzetten niet zoveel zin heeft. Of de muis vindt de weg terug naar huis, of hij gaat dood in het bos. Zo’n enthousiast, blakend diertje, en het deed ook maar z’n best, maar toch moest het dood.

Bij de Praxis had ik niet voldoende saldo voor twee muizenvallen, bij elkaar €5.98. Ik moest de bankpas van de kinderrekening gebruiken. Zevendertig jaar oud, een vader, en geen saldo. Zelfhaat in drie, twee, één… Ik vroeg me af of een schrijver die in staat is tot stilistische virtuositeit, ironie, geraffineerd gegoochel met de werkelijkheid en diepere lagen zoiets ook wel eens overkomt.

Ik plaatste de muizenvallen in de keuken en ging naar het open podium van m’n oudste zoon. Hij was geweldig, hij sprak luid en nam het voortouw, hij liet het publiek lachen. Nu wil ik graag schrijven dat het daardoor allemaal van me afviel, dat ik weer wist wat er werkelijk toe deed in het leven, dat ik erom kon lachen, maar dat was niet zo; mijn gedachten gingen steeds terug naar dat essay en naar het nee-piepje van de pinautomaat. 

Toen ik thuiskwam was ik vergeten dat de muizenvallen er stonden. Ik liep de keuken in en zag ze. Eentje stond nog open, maar in de ander lag de muis, zijn kop scheef en vreemd, zijn bek open, bebloed, pindakaas op zijn vacht. Ik nam het hem kwalijk. Omdat hij het had kunnen weten, denk ik, maar toch de lijn der verwachtingen had gevolgd. Het was allemaal zo voorspelbaar. Wat hij deed, wat ik deed, wat die auteur van De Groene deed (die ook maar van werkbeurs naar werkbeurs gaat, amper boeken verkoopt en hoopt dat de mensen hem om zo’n artikel zullen applaudisseren, zodat hij zich weer heel even compleet en goed kan voelen, waarna het allemaal meteen wordt vergeten en tot stof vergaat). Zo deprimerend en voorspelbaar allemaal, zo zinloos, en vooral: zo sáái.

Ik gooide de muis in de vuilnisbak. Daarna at ik een boterham. Bepaald geen geraffineerd gegoochel met de werkelijkheid. Mijn excuses.


Leuk als je een donatie wilt doen of misschien een abonnement met leuke extra’s wilt nemen of anders mijn boek wilt lezen: Wij zeggen hier niet halfbroer.