De muis, onbevreesd vanwege de stilte, loopt kalm door mijn huiskamer. Haar lichaamstaal verraadt routine en vanzelfsprekendheid; blijkbaar is dit huis evengoed van haar als van mij. Ik zie haar vanuit mijn ooghoek, zittend op mijn meditatiekussen. Als ik mijn hoofd naar haar toedraai ziet zij mij ook. Een fractie van een seconde bewegen we allebei niet. Dan sta ik op – om wat te gaan doen? – en rent zij de keuken in, waar ze verdwijnt in een gat in de hoek van de vloer.

Ze schiet het gat in en rent onder de vloer door, langs oud spinrag, door nauwe gangen. ‘Hij heeft me gezien,’ zegt ze, buiten adem, aangekomen bij haar man en kroost. De kinderen beven. De vader, geschrokken, weigert in paniek te raken en wil weten: ‘Hoe reageerde hij?’

‘Hij zat te mediteren en stond op toen hij me zag.’

‘Mediteren,’ mijmert de vader. ‘Dat is goed, dat is mooi. Het duidt op compassie. Misschien oefende hij liefdevolle vriendelijkheid en mededogen voor alle levende wezens.’

Verwachtingsvol kijken de kinderen naar hun moeder: zal ze hun vaders woorden beamen? ‘Ja,’ zegt ze. ‘Misschien.’ De angstige twijfel in haar ogen kan ze niet verbergen.

‘Het kan toch, mam?’ vraagt de kleinste. ‘Dat het zo is, wat papa zegt?’

Het is dan dat de muizen de eerste rrrats! horen van een strook tape die van de rol wordt getrokken. Dan nog eens, en nog eens. De kinderen, die niet weten wat het betekent, kruipen dichter tegen elkaar aan. Moeder en vader staren elkaar in de ogen; al voor het beetje licht in hun hol begint af te nemen weten ze wat er gebeurt.

‘Het is dicht,’ zegt de vader. ‘Het gat is dicht.’ De kinderen beginnen te huilen. De moeder kijkt om, wil nog iets zeggen, zwijgt.

‘Hij zal tot inkeer komen,’ zegt de vader. ‘Je hebt hem zien mediteren. Het moet hem iets doen. Het moet aan hem knagen.’ 

De moeder knikt en glimlacht zo geruststellend als ze kan naar haar kinderen. Maar ze weet meer dan ze laat merken. Ze is vaker bovengronds geweest en heeft meer gezien dan alleen het mediteren. Ze weet van de writer’s block, van de postnatale depressie na het boek, van het liefdesverdriet, van de geldzorgen. Ze weet van het zelfbeklag. Geen ruimte in het hart voor muizen, vreest ze. 

’s Nachts in bed kan ik voelen hoe ze daar beneden tegen elkaar aan gekropen zitten, hoe ze de hoop erin houden en een beroep doen op mijn geweten. De moeder hoopt dat ik tot inkeer zal komen, dat ik zal inzien dat ik zonder compassie voor de muizen nooit werkelijk compassie voor mezelf zal kunnen hebben, en nooit werkelijk zal kunnen liefhebben.

‘We zingen het nog wel even uit,’ zegt de vader tegen haar, zijn pootje in het hare, hun kinderen onrustig slapend rondom hen. ‘Geef hem tijd,’ zegt hij.

De moeder knikt. Twee verdiepingen hoger lig ik te woelen, woelen, woelen.


Je abonneren op deze stukjes kan hier