Als ik een kater heb en moe ben treedt er steevast morele verslapping op. Mijn ethische ruggengraat is te knakken met het kleinste porretje. Wanneer dat dan ook nog samenvalt met een prangende behoefte en lonkend aanbod is het welhaast onmogelijk om aan mijn principes vast te houden.

‘Ik overweeg de Burger King,’ appte ik gisteren naar een vriendin. Ik zat in de trein en was bijna in Utrecht, waar ik dertien minuten overstaptijd had. Ik voegde een emoticon toe. Deze: 😬

Altijd als ik in gedachten Burger King hoor klinkt meteen daarna een echo: Murder King. Het is mijn geweten dat spreekt. Dat geweten beroept zich op feitjes die mij ooit over de fastfoodketen ter ore zijn gekomen. Over koeien die nog in leven zijn als ze worden gevild, bijvoorbeeld.

Eenmaal in de stationshal werd ik verscheurd door een innerlijk conflict. Het is verkeerd, dacht ik. Je moet het niet doen. Maar terwijl ik dat dacht liepen mijn voeten richting de uithoek met Burger King en Döner Point. Ik liep langs een AH, waar ik naar binnen had kunnen gaan voor een paar notenrepen. Jammer zeg, dacht ik. Echt jammer dat ik daar niet naar binnen ga. Ook kwam ik langs een Smullers. Een frietje, dacht ik. Waarom bestel ik geen frietje? Maar helaas.

Ik kon denken wat ik wilde; ik zat opgesloten in een isoleercel ergens achterin mijn brein, vanuit waar ik slechts kon gadeslaan hoe mijn lichaam die verdorven vreethoek van het station betrad.

De Burger King. Een rij van vier of vijf mensen, hun zombie-ogen loom op het menubord gericht. De dood-geroutineerde kassamedewerkers. Mijn hartslag ging omhoog, ik stond aan de grond genageld. Nee, dacht ik, en ging in de rij voor Döner Point staan. Islamieten gaan beter met hun dieren om, besloot ik, en hoorde de gevangene in mijn hoofd roepen dat dat onzin was. Maar op een dürüm zat tenminste nog rauwkost. Ik pakte een bekertje ayran uit de koeling en wachtte op mijn beurt.

Vlak voor de kassa zette ik de ayran terug en liep naar de Burger King. (Weer dat stemmetje: Murder King.) In de rij voelde ik me een misdadiger. Ik hoopte op schuldbewuste blikken van de andere wachtenden. Want misschien, als we elkaars gewetensnood in elkaars ogen zouden zien, zouden we besluiten het niet te doen. Of misschien een blik van de vrouw achter de kassa: Weet je het zeker? Maar nee, niemand hier voelde wroeging. Ze gaapten en keken op hun telefoons.

Teleurgesteld, aan een felverlicht tafeltje, beet ik in mijn druipende, dubbele Whopper. Op een tv-scherm las ik headlines van het AD. Er waren DDoS aanvallen gepleegd op meerdere banken. Dat deed ik dan weer níét, DDoS-aanvallen plegen. Ik probeerde slechts een goede vader te zijn en af en toe wat moois te schrijven. De rest van de week zou ik vegetarisch eten, zwoer ik. Ik zou op de PvdD stemmen. Sowieso was het allemaal de schuld van de politiek. Het had allang niet meer moeten mogen, de bio-industrie.

Ik bad dat niemand me zou herkennen, hier aan dit klinische tafeltje, beklad met saus. Was dat wel gebeurd dan had ik geroepen: ‘Help! Ik zit hier opgesloten! Nee, hierbinnen! Hierbinnen!’


Een leuk abonnement met extra’s afsluiten of een eenmalige donatie doen? Klik hier. In maart verschijnt Berichten uit het tussenhuisje.