In de trein terug naar huis na een interview over Tussenhuisje met een journaliste van het AD zat ik in een bomvolle stiltecoupé. Dat rijmt. Het rijmt niet erg mooi, maar het rijmt. Hoe dan ook, wat ik wilde zeggen: iedereen in de coupé was stil. Een tjokvolle coupé en iedereen hield zich aan de stilteregel. Vaak genoeg zit ik een halfvolle stiltecoupé met mensen die praten, dus dit was bijzonder. Of misschien is het logisch; misschien is de groepsdruk in een volle coupé groter; misschien bestaan er praters die in een halfvolle coupé wél, maar in een volle coupé níét durven praten.

We reden langs een bos gedrenkt in het licht van de namiddagzon en mijn pupillen sprongen van boom naar boom; een prettige cadans die me slaperig maakte.

‘Ben je hoogsensitief?’ had de journaliste gevraagd. Gesuggereerd, eigenlijk: ‘Je bent hoogsensitief, denk je niet?’ Ik had haar verteld over mijn energie, die zo snel op is als ik onder mensen ben, of zelfs als ik alleen ben, en over hoe ik nooit, maar dan ook nooit helemaal ontspannen ben. Mijn onrust, op een schaal van 1 tot 10, is nooit een 1. Ik weet niet hoe het is om me compleet ontspannen te voelen, zei ik. Misschien als ik slaap. 

Toen ze dat vroeg, of ik hoogsensitief ben, antwoordde ik: ‘Geen idee, maar schrijf het in ieder geval maar niet op.’ Ik heb ook echt geen idee. Het is wat het is, zo zie ik het. En zo’n term zie je al meteen als kopje boven een alinea staan. Dat ik weer een heel boek over mezelf schreef, dat is al larmoyant gedweep genoeg; ik moet het vooral niet in interviews gaan aandikken. Vorig jaar had ik een heel mooie recensie in De Groene Amsterdammer; laat ik het kleine beetje krediet dat ik daarmee bij de intellectuelen heb opgebouwd nu in godsnaam niet meteen weer teniet doen door psychologische modetermen over mezelf uit te strooien. 

Jezus, dacht ik in de trein. Jezus. Maar hoe kun je een interview over jezelf geven, over een boek dat over jezelf gaat, zónder te dwepen? Het kan niet. Je doet je mond open en je dweept.

Maar de stilte in de trein was goed. De stilte van de mensen was beter en mooier dan stilte zonder mensen. De stilte stroomde uit ons als warm water uit een badkraan en we dompelden erin onder. De bomen knikten ons goedkeurend toe, de één na de ander,  en gaandeweg, in het begripvolle zonlicht, begonnen mijn gedachten in elkaar over te lopen, diffuus en abstract, en ineens zat ik te knikkebollen.

Slapen in een overvolle trein. Wie is er hier hoogsensitief? Niet ik, niet ik.


27 maart verschijnt Berichten uit het tussenhuisje. HIER kun je je op mijn stukjes abonneren of eens kijken naar de optie van een eenmalige donatie.