Nou, goed, enfin, ik was dus weer eens bij de apotheek. Toen ik aan de balie stond te wachten terwijl de juffrouw (ik heb er nog nooit een man zien werken) tussen al die rijen met kasten vol vakjes mijn recept bij elkaar aan het sprokkelen was, stond er een man aan de balie naast me heel hard en goor en ziek te hoesten, onophoudelijk, waardoor ik iets verder weg ging staan en de kraag van mijn jas tot over mijn neus omhoog trok. 

Ook was er een moeder met twee tienermeisjes. Van de vrouw kreeg ik zo’n blik die me doet twijfelen of degene in kwestie me kent van mijn schrijverschap of gewoon iets te lang naar me blijft staren vanwege mijn tatoeages of weet ik wat. Kwark in mijn baard, dat heb ik na het ontbijt ook wel eens.

Ik drumde wat met mijn vingers op de balie. De moeder keek opnieuw en nu zag ik dat ook de meisjes naar me keken. Eentje in het bijzonder. De moeder knikte naar me en spoorde haar aan. Vervolgens kwamen ze met z’n drieën naar me toe. ‘Hij is het hoor,’ hoorde ik de moeder fluisteren.

Het meisje (haar dochter, zo zou ik iets later te weten komen; het andere meisje was een vriendin) vroeg: ‘Bent u misschien Henk van Straten? Ik ben helemaal weg van uw boek. Ik vroeg me af of ik een handtekening mag.’ Mijn boek had ze niet bij zich, dus signeerde ik een pagina van een schoolschrift. Ze was maar een klein beetje verlegen.

‘Ziek?’ vroeg de moeder, waarbij ze keek naar de kraag voor mijn gezicht. ‘Dat wil ik juist niet worden,’ antwoordde ik, en knikte naar de hoestende, mogelijk stervende man. Ondertussen loerde ik naar de juffrouw van de apotheek. Of ze niet juist nu deze kant opkwam en me ging vragen of ik nog vragen had over het medicijn, me zou wijzen op de bijwerkingen en aandachtspunten, etc.

Moeder en dochter bleken te wonen in de wijk waar ik vroeger woonde. Dat maakte het boek over mijn jeugd voor het meisje extra leuk. Ik vertelde in welke straat ik precies woonde en op welk nummer. ‘Het zolderraam aan de straatkant,’ zei ik. ‘Dat is waar het zich allemaal afspeelde.’

Toen ze weg waren, en ik nog steeds mijn medicijnen niet had gekregen, stelde ik me voor hoe dat meisje, later die dag, in mijn oude straat naar dat zolderraam zou staan kijken, hoe ze zich dan een voorstelling zou maken van mijn jongere zelf, achter dat raam, en hoe ze het dan echt zou vóélen. De man naast me hoestte nu bloed op, dat kon haast niet anders. Ik trok mijn kraag nog verder omhoog. Even had ik spijt en dacht ik aan Jezus die de voeten van lepralijders kust. Maar dat duurde niet lang. Die andere gedachte, die aan dat meisje, vond ik prettiger.


Goed, dat zijn wel weer genoeg stukjes voor deze week. Klik hier voor de verschillende abonnementsvormen. Fijn weekend!