Oscar, mijn hagedis, kwam sinds weken weer eens uit zijn schuilplaats. Omdat hij zich zo lang had verborgen had ik geen sprinkhanen voor hem in huis, en hij had nu natuurlijk honger. Dus snel in de auto, naar de dierenwinkel.

Bij een kruispunt op de stadsring moest ik linksaf. Het was rood en werd toen groen. Ik trok op, reed het kruispunt over en stuurde naar links. Een toeterende tegenligger, die met zeventig kilometer per uur rechtdoor reed, en dus met voorrang, miste me op een haar na. Met versnelde hartslag reed ik verder. In de twintig jaar dat ik een rijbewijs heb, heb ik deze fout nog nooit gemaakt.

Ik stelde me het gesprek voor dat zou plaatsvinden na het ongeluk, misschien met de politie. Ik met een whiplash, de tegenligger ernstiger gewond en afgevoerd. Nee, het gesprek was met een familielid. De agent probeerde een gesprek met me te hebben, maar dat familielid, een woedende vrouw, bleef maar naar me schreeuwen. Waarom had ik niet opgelet? Kende ik de verkeersregels niet? Wat deed ik überhaupt in een auto? Ze moesten mijn rijbewijs afpakken en me opsluiten. Door mij was die man bijna dood. Misschien kwam hij in een rolstoel terecht.

Ik wist niet wat ik moest zeggen. Twintig jaar lang was het goed gegaan. Waarom ging het het nu ineens mis? Ik zat niet te bellen, was niet aan het appen. Blijkbaar kon dit gewoon gebeuren. Twintig jaar lang doe je iets goed, waarschijnlijk zelfs uit een automatisme, en ineens gebeurt er iets en doe je het een keer fout. Iets in mijn brein, neuronen en synapsen, vurend, banen zoekend, connecties leggend, zo snel als het licht, en dan ineens een misser. Zelf was ik er, als het ware, ook slechts getuige van. Maar hoe kon ik dat zeggen? Hoe kon ik, in het gezicht van die vrouw, mijn verantwoordelijkheid zo naast me neerleggen? Moest ik zeggen: tja, deze dingen gebeuren gewoon? En de consequenties dan? De represailles. Wie, anders dan ik, moest hiervoor opdraaien? Ik kon moeilijk gewoon weer naar huis rijden en verdergaan met mijn leven.

Enfin, we hadden elkaar dus net gemist, die tegenligger en ik. In de dierenwinkel rekende ik het doosje met sprinkhanen af. Sprinkhanen die, stuk voor stuk, ten dode waren opgeschreven, bij elkaar geworpen in een plastic bakje, voedsel voor de draak. De vrouw achter de kassa zei: ‘Als je wil dat ze langer overleven moet je af en toe een nieuw stukje wortel in het bakje doen.’ Ik vertelde dat ik de insecten altijd in een grotere bak zet en verse appel geef. Daar lachte ze om. ‘O ja,’ zei ze. ‘Dat ben jij. Bij jou hebben de sprinkhanen een goed leven.’


Deze stukkies per mail ontvangen? Een donatie doen? Kijk eens hier.