Iets dreef me gisterenmiddag naar buiten. Er is altijd onrust, maar soms wordt de onrust te groot. Ik zat te werken, of probeerde te werken, toen ik opstond en naar de kapstok liep voor mijn jas. Wandelen ging ik. Toch aarzelde ik nog, zoals altijd voordat ik ga wandelen. Vaak wint de aarzeling en ga ik niet. Dat komt doordat ik me de wandeling probeer voor te stellen, en ook het nut ervan al bij voorbaat probeer te voelen, wat niet lukt, omdat ik de voorstelling het nooit haalt bij het echte wandelen, maar dat geloof ik op zo’n moment niet, omdat ik nogal vol ben van mijn voorstellingsvermogen, en dus weiger om de notie de accepteren dat ik het mis heb, te accepteren dat ik wél gewoon moet gaan wandelen.

Nu ging ik wel. Ik moest. Eerst een stuk fietsen, toen wandelen. De lucht was koud en heilzaam en de zon had zelfvertrouwen. Toen mijn bloed eenmaal sneller stroomde en ik diep ademhaalde wist ik dat ik de juiste beslissing had genomen, wat ik dus al had kunnen weten. Zwarte plassen water flitsten zilver. Van sommige bomen hoorde ik ieder afzonderlijk blaadje ruisen. En ja, natuurlijk: de herfstkleuren. Ik ga ze niet omschrijven; daar komen cliché’s van.

Aan de rand van een groot heideveld was de wijdse ruimte evengoed daar als hier, in mijn geest. Ik nam mezelf voor dit niet te vergeten, dat wandelen altijd goed is, ook al kun je je het van te voren niet voorstellen. Degene die dit zag, nu, moest het onthouden en er die ander, straks, van overtuigen, desnoods met geweld. Niet vergeten. Wat dit is. Wat ik nu zie. Niet vergeten.

Ik passeerde een boswachter in de weer met een kromme, dunne zaag. Of hij de hooglanders had gezien, vroeg ik. Hij wees me in de juiste richting. ‘Alle zeven liggen ze daar,’ zei hij vriendelijk, en zaagde. Hoe word je een boswachter? Hoe kan het zijn dat een dergelijk beroep bestaat? De luxe ervan, de wezenlijke afzondering en rust. Net als die hooglanders, daar, zachtjes kauwend, ogen bijna gesloten, in de zon, gezeteld in hun eigen onuitgesproken, ongedefinieerde bestaansrecht.

De rijkdom van een plek als deze. De luxe van de mogelijkheid tot wandelen. Dat het samen kan komen, het wandelen en het bos. Dat je dat tot je beschikking hebt. Raymond Carver had hetzelfde met water, in het bijzonder met rivieren. Misschien heb ik het ook met rivieren. Misschien moet ik eens naar een rivier.

Het is goed dat ik ben gaan wandelen. En toch, als ik erover nadenk, nu, hier voor de laptop, dan kan ik het me al niet meer echt voorstellen. Zó bijzonder is het nou ook weer niet hè. Wat betekent dat ik het alweer aan het vergeten ben. Het blijft niet, ik kan het niet vasthouden. Het zij zo.


Als je je op deze stukjes abonneert krijg je leuke extra’s. Klik hier. Ook schreef ik boeken. De laatste, een boek met memoires, heet Wij zeggen hier niet halfbroer.