Ik begin dit stukje enigszins aarzelend. Dat is omdat er hier veel nieuwe mensen zijn. Met ‘hier’ bedoel ik dit plekje, de ruimte die ik deel met jullie, de abonnees. Ik zie het soms als een klein theaterzaaltje. Jullie zitten in het publiek en ik sta op het podium; ja, sorry, zo is dat nu eenmaal verdeeld. Maar nu is het dus zo dat er hier stilletjes allemaal nieuwe mensen naar binnen zijn gekomen. Dat heeft vast te maken met de radio-, podcast- en kranteninterviews die ik deed. Vooral na het interview dat Erik Jan Harmens met me had—verschenen als podcast en geschreven stuk in Het Parool—zag ik ineens een flinke toename van het aantal abonnees. Inmiddels zitten jullie met z’n 1744’en in de zaal. De nieuwe abonnees stel ik me voor helemaal achteraan, achter de laatste rij met stoelen, staand, in de schaduw. Nu voelt alsof ik me voor hen opnieuw moet bewijzen. Ze staan vlakbij de ingang/uitgang en kunnen dus makkelijk weer vertrekken.

Wees welkom, laat me dat in ieder geval even zeggen. En ook: van het concert des levens krijgt niemand een program.

Enfin. Goed. Soit. Ik moest maar eens aan dit stukje beginnen, maar dan echt. Ondanks die aarzeling dus. Aarzelend (alweer aarzelend) moet ik echter toegeven dat ik eigenlijk geen onderwerp heb. Het is meer dat ik me geroepen voelde om iets te schrijven, ook weer vanwege de nieuwe abonnees, die ik nu dus al meteen teleurstel. Hij heeft niet eens iets voorbereid. Ik hoor de zware deuren opengaan en dichtvallen; één iemand heeft de zaal al verlaten. Dit gaat de verkeerde kant op.  Ik moet iets doen, iets schrijven, iets zeggen.

Oké, nou ja, er stond dus een grote recensie in de/ het NRC. Geschreven door Thomas de Veen. Het was de eerste recensie waarbij ik het idee had dat de recensent echt de moeite had genomen om goed na te denken over wat hij wilde schrijven, wat hij ervan vond. Dat hij niet meer dan drie sterren wilde geven (maar vijf sterren voor Kwaad bloed!) vond ik niet eens erg. De recensenten van zowel Het Parool als Trouw leken zich met Hemingway namelijk überhaupt geen raad te weten. De analyses waren onzeker, reductionistisch en simpel. Dat hadden ze kunnen erkennen, hadden ze aan zichzelf en aan de redactie kunnen toegeven, om er vervolgens van af te zien. Maar een recensent krijgt voor zo’n stukje natuurlijk ook gewoon betaald, dus dan zullen ze het schrijven ook. Ik balanceer nu op het randje van zuurte, dat weet ik zelf ook wel. Ik hou erover op. Maar die NRC recensie, die was oké, dat is wat ik zeggen wilde.

De spanningen rondom het nieuwe boek nemen langzaam af. Ik weet dat er nog besprekingen komen in de Volkskrant, de Groene en Elsevier, en uiteraard zie ik daar tegenop. Een recensie is negatief tot het tegendeel bewezen is. Maar ook aan een tergend gebrek aan controle, zo blijkt, kun je wennen. Ik ken het natuurlijk van eerdere boeken. Vlak na publicatie kan ik amper ademen. Dan, na een tijdje, slaak ik een zucht en begin ik aan een nieuw boek. Het is wat het is. En de bestseller is het volgende boek, is altijd het volgende boek.

Aan dat gesprek met Erik Jan Harmens dacht ik trouwens gisteren nog terug. Ik maakte een lange autorit en luisterde naar het luisterboek van De steppewolf van Herman Hesse. Ik wilde Erik Jan eigenlijk meteen een berichtje sturen. Tijdens ons gesprek spraken we over de foltering van de doorlopend nuchtere geest, dat ik daar na een paar dagen genoeg van heb, van dat nuchtere brein van mij, van de onveranderlijke werkelijkheid die dat brein op de wereld projecteert, en de drang die me vervolgens overmeestert, de drang om die werkelijkheid te verwoesten, zodat ik de werkelijkheid daarna weer kan opbouwen, als een nieuwe wereld. Destructie en herrijzing, daarmee kan ik leven; het is het gebied ertussenin waarmee ik moeite heb, waarin ik slecht gedij. We hadden het over Shiva en Vishnu, over dergelijk archetypen die in ieder van ons verscholen zitten, zij het in sommigen meer dan in anderen. In De steppewolf beschrijft Hesse dat heel mooi. Zijn personage Harry Haller lijdt onder exact dezelfde tweestrijd. In zich heeft Haller zowel de wolf als de mens. De één bekritiseert de ander, walgt zelfs van hem. Maar ook dat is fictie, schrijft Hesse. Ook dat onderscheid tussen wolf en mens is niet echt, is ook maar weer iets om in te kunnen geloven, iets waarmee je jezelf vorm geeft en denkt te kunnen begrijpen. Goede citaten uit dat boek heb ik helaas niet paraat; dat is het nadeel van een luisterboek. Wel zocht ik net even snel op Google. Toen vond ik er alsnog eentje:

Alle goede humor begint met het niet meer serieus nemen van je eigen persoon.

En zo zijn we terug bij het begin van dit stukje. Aarzelen doe je alleen als je jezelf te serieus neemt.

 


Dat je je op deze stukjes gratis kunt abonneren is na het bovenstaande geen nieuws meer. Je doet dat HIER. De podcast met Erik Jan Harmens beluister je o.a. op Spotify. Het heet Onverdoofd en is makkelijk te vinden. Mijn nieuwe roman heet Ernest Hemingway is gecanceld.