Op de fiets. Een man met een attachékoffer op zijn bagagedrager haalt me in. Ik fiets hard, maar hij dus harder. Ik voel een kleine, echt een heel kleine steek in mijn trots. Meteen daarna laat ik het gaan. Ha, wat maakt het uit wie er harder fietst. Ik deed bovendien niet eens echt mijn best.

Wanneer hij voor me rijdt zie ik dat twee kerels van begin twintig – bontgevoerde capuchons, glanzende sneakers – net willen oversteken. De man fietst harder dan ze verwachtten. De man gebruikt zijn fietsbel, de jongens stoppen op het laatst moment met lopen, de man fietst ze voorbij. Eén van de jongens spuugt op straat, de andere jongen spuwt een paar woorden. 

Ook zij voelen een steek in hun trots. Ze hadden een koers, een bestemming, en door die man op de fiets moesten ze daar plots tijdelijk van afzien. Het feit dat die man voorrang had, en gewoon op het fietspad reed, zich van geen kwaad bewust, doet er niet toe. Deze jongens gaan voor niemand aan de kant. Doen ze dat toch, dan moet dat worden rechtgezet. Bijvoorbeeld met een fluim op de stoep, keurig afgevuurd met een u-vormige tong, zodat iedereen kan zien dat ze heus niet geïntimideerd zijn door een man op een fiets. Het ergste voor hen was die schelle fietsbel; dat was alsof de man ook nog een grote mond tegen ze had gehad.

Als ik even later in de sportschool aan een jongen met puistjes op zijn brede schouders vraag of hij zijn walking lunges iets verderop wil doen, zodat ik beter bij de bokszak kan, stemt hij zonder woorden in. Met ‘ja, natuurlijk’ zou hij te veel zwakte hebben getoond. Ook beweegt hij extra kalm; zou hij sneller bewegen dan zou ik het idee kunnen krijgen dat hij bang voor me is. Zijn houding, die al breed was, is nu nog wat breder. Zijn boodschap is ongeveer deze: Ja, ik ga aan de kant, maar heus niet voor jou. (Kin-krabbende nadenk-emoji.)

Op de terugweg, weer op de fiets, zie ik een tegenligger aankomen. Een man met een snor. Het fietspad aan deze kant van de weg is alleen voor fietsers die mijn richting in fietsen. Aan de andere kant van de weg is nog een fietspad, en dat is het pad voor fietsers de andere kant op. De tegenligger, kortom, mag hier helemaal niet fietsen. Heel breed is het fietspad niet. Ik zou wat verder naar rechts kunnen gaan, zodat de man me makkelijker kan passeren. Maar dat doe ik niet. Hij is tenslotte degene die fout zit. Ik ga zelfs wat verder naar links, zodat hij met beide handen zijn stuur moet vasthouden en ervoor moet waken dat hij de smalle strook met struiken niet ingaat. Mijn trots is nog intact. Hier fietst een man.


Ik heb het vaak over een betaald abonnement, maar je kunt mijn stukjes ook gratis ontvangen. Dat vind ik ook leuk. Klik hier. Maar koop dan in godsnaam wel een boek van me of zo.