Je gelooft het niet, maar ik moest zowaar ergens naartoe. Ik moest iets ondernemen. De auto in en de snelweg op. Ik verwachtte douane bij de stadsring: ‘Waar denkt u naartoe te gaan?’

Maar niemand hield me tegen en zo kon ik zonder obstakels helemaal naar het Mediapark in Hilversum rijden, waar ik te gast was bij een radioprogramma van NPO1 (dat pas over onbepaalde tijd wordt uitgezonden). Het was een uur durend praatprogramma over geluiden en muziek, en de associaties die je daarbij hebt.

Het gebouw van de NPO was zo goed als uitgestorven. In de studio zelf zaten de presentatrice (Mischa Blok) en ik aan weerszijden van een grote tafel vol koptelefoons en microfoons, met meer dan anderhalve meter tussen ons in.

Ik ben altijd eerlijker dan ik me voorneem. Eigenlijk weet ik dat al van te voren. Ik kan een antwoord op een persoonlijke vraag niet afzwakken of ombuigen, omdat ik vrees saai te zullen zijn. Ik denk na terwijl ik antwoord. Ik kom in een soort stroomversnelling terecht; ik drijf mee met die eigen stroom. Het kost heel veel energie, maar dat voel ik altijd pas later, na afloop; dan stort ik in. Blijkbaar draai ik tijdens zo’n interview op alle cilinders.

Het kwam in meer of mindere mate allemaal weer voorbij: jeugd, leven, liefde, schrijverschap. We kwamen over liefde en relaties te spreken, en de lessen die je daarvan leert. Dat was een vraag: of ik in mijn relaties lessen had geleerd die me de volgende keer van pas zouden komen. Ik dacht na terwijl ik sprak. Ja, zei ik, maar het waren lessen die van pas zouden komen bij dezélfde relatie, zou ik die nog eens over mogen doen. Dat is het wrange, zei ik. ‘Ik zou willen dat ik haar nu opnieuw voor het eerst kon ontmoeten, maar dat ik dan wist wat ik nu weet, en dat al die schade nog niet was aangericht.’  Ik vermoedde dat bij een nieuwe relatie alles weer anders zou zijn. Mensen zijn zo complex, zei ik. Je kunt niet met één iemand oefenen voor een ander iemand. Je begint altijd weer opnieuw en je hebt geen idee wat er komen gaat.

In de auto, op de terugweg, stroomde de elektriciteit uit me weg en moest ik de muziek harder zetten om niet weg te dommelen.

Thuis werk ik nog steeds aan mijn nieuwe roman. Of nou ja, ‘nog steeds’ is natuurlijk onzin. Ik begon er pas half februari aan, en zoals het er nu naar uitziet heb ik eind deze maand een eerste versie af. Mijn corona-roman dus. Ernest Hemingway is gecanceld. Een roman over masculiniteit en depressie en liefdesverdriet en vaderschap in een tijd van culturele veranderingen.

Het is beangstigend; ik schrijf in een soort manie. Het was altijd al zo dat als ik eenmaal beet had, als ik eenmaal voelde en wist wat ik wilde maken, dat ik dan snel kon schrijven. Maar dit is nieuw. Gisteren schreef ik vierduizend woorden. Dat is nooit eerder voorgekomen. Ik zit af en toe te lachen tijdens het typen, want ik zit erbij en ik kijk ernaar; ik zie het gebeuren en snap zelf ook niet hoe het mogelijk is. Mijn uitgever is in haar nopjes; ze wil het in de winter van 2020/2021 uitbrengen.

Het piepkleine walnotenboompje doet het goed. Ze groeit gestaag en bescheiden. Trager dan alle andere planten in mijn tuin. Maar dat is vast omdat ze weet dat ze uiteindelijk de grootste zal worden, en veel langer te leven heeft, en dus geen haast heeft. Al dat groene gejakker om haar heen… Ik denk dat ze glimlacht.

 


Toe, kom, abonneer je op deze stukjes.