Gisteravond zag ik een mug. Een mug. Nog even en de processierupsen zijn er weer, waarschijnlijk veel talrijker dan vorig jaar. We zullen niet naar buiten mogen vanwege de brandhaartjes; één zuchtje wind en je bent eronder bedolven; je krabt je huid van je botten en je leeft verder als een geraamte. Van coronacrisis naar processierupsencrisis.

Mijn roman in wording telt inmiddels meer dan twintigduizend woorden. Ik heb ook de titel al: Ernest Hemingway is gecanceld. Ik ben ermee in mijn nopjes.

Pieter Kuijpers stuurde me de derde versie van zijn scenario van Kwaad bloed, die novelle die hij gaat—of wil—verfilmen. Het is het boekje dat in september als Brabants boekgeschenk verscheen. Toen heette het nog Van Gogh sneed hier nooit een oor af. In mei wordt het opnieuw gepubliceerd, maar dan landelijk. Inshallah.

Mijn jongste zoon is gisteravond op zijn step naar de Albert Heijn geracet om daar vlak na de levering van nieuw wc-papier een pak met zestien rollen te kopen. Er lag er nog één. We hebben gedanst van vreugde; al dagen grijp ik mis en het was nu echt op. ‘Sorry voor de roze inkt, papa,’ zei hij, omdat ik ooit heb gezegd dat inkt op wc-papier slecht is voor het milieu.

Ook over mijn oudste zoon heb ik iets heel grappigs te vertellen, maar helaas mag ik over hem niks meer schrijven, dat heeft hij me laten beloven. Dus dat lopen jullie helaas mis. Het is echt héél grappig.

Chantal Janzen vroeg me voor haar magazine &C een persoonlijk verhaal te schrijven over tegenslagen en hoe daarmee om te gaan. Het is een spoedklus vanwege een themanummer. Ik heb onder andere geschreven over dat gekloot met antidepressiva, en de column in de LINDA—Janzens concurrent—die ik kwijtraakte. Ik had eigenlijk helemaal geen zin in het schrijven van zo’n persoonlijk verhaal,  dat zei ik jullie al eerder, maar in deze crisis moet ik alle klussen aannemen die me worden aangeboden. En toen ik het eenmaal zat te schrijven wilde ik er toch iets moois van maken.

Wat betreft die antidepressiva: ik zit nu op week vier van een nieuw medicijn en ben voorzichtig optimistisch. Tot optimisme was ik eerst niet eens in staat, dus dat is een goed teken.

Mijn hagedis Oscar heeft zijn eigen probleem: hij is aan het vervellen. Verwoed en wanhopig schuurt hij met zijn afbladderende lichaam langs de stenen. Hij kijkt naar me met zo’n blik van: help me dan. Waarop ik zeg: ‘Ja dag, Oscar. Wij onze crisis, jij de jouwe.’


Abonneer je HIER gratis op deze stukjes.