Naarmate ik ouder word slaap ik steeds meer op mijn rug. Mijn hele jeugd, en ook mijn adolescentie, zeker tot na mijn dertigste, lag ik altijd op mijn zij. Ik ging van de linkerzij naar de rechter en weer terug. Gaandeweg is daar het tussenstation van de rugpositie bijgekomen; als ik van linkerzij naar rechterzij draai blijf ik halverwege op mijn rug liggen. Tegenwoordig begín ik zelfs op mijn rug. Het is mijn inslaap-positie geworden. 

Als kind had ik de pest aan rugslapers. Volwassenen, díé sliepen op hun rug. En volwassenen snurkten, al dan niet na veel drank en sigaretten. Ik riep naar m’n pa: ‘Ga op je zij liggen!’ Ik riep naar m’n ma: ‘Ga op je zij liggen!’ Hotelkamertjes in Frankrijk, of in een tent op een camping. Mijn andere vader, mijn stiefvader, snurkte zo hard dat het door muren heen ging.

Het had iets wanstaltigs, dat rug-slapen. Associaties met snurken, met slaaprimpels, met ranzige adem, met drank, met sigaretten, met lome ledematen, met ouderdom. Ik kon me niet voorstellen dat ik er ooit zo bij zou liggen.

‘Ga op je zij liggen!’ hoorde ik de afgelopen week op Terschelling minimaal een keer per nacht van mijn jongste zoon (bijna zeven) met wie ik in een tweepersoonsbed lag. ‘Ja, goed,’ zei ik dan, slaapdronken, log van de alcohol, en draaide snel een beetje schaamtevol op mijn zij.

Toch, als ik daar naar bed ging en hij al diep lag te slapen, ging ik weer op mijn rug liggen. Ik weet niet waarom, maar het is ineens de fijnste positie geworden; mijn gedachten worden langzaam stroperig, dan vloeibaar, dan abstract. Ik probeer op mijn zij te gaan liggen zodra ik merk dat dat proces zich aan het voltrekken is, maar dat lukt niet altijd, en dan begin ik te snurken, zeker als ik heb gedronken, en op Terschelling hoorde ik dan dat stemmetje in de nacht: ‘Papa, ga op je zij liggen!’

In het zwartblauwe water van de nacht moet hij naar me gekeken hebben. Mijn gelaat bleek als dat van een lijk. Mijn handen dood op mijn buik. Mijn kin omhoog. Mijn mond open. Reutelend, als een stervende.

Overdag ben ik weer jong. Of enigszins jong. Ik ben nog soepel en fris. Je kunt niet aan me zien dat ik een rugslaper ben geworden. Maar het is begonnen. Het oefenen voor de kist.


Vanzelfsprekend kun je je gratis op deze stukjes abonneren. Dat doe je HIER. Verder schijnt mijn laatste boek, Wij zeggen hier niet halfbroer, echt heel goed te zijn.