Al sinds eind juli is Oscar, mijn baardagaam, in winterslaap. Of eigenlijk noem je het winterrust, want hij is wakker. Hij ligt onder een stuk hout en loert door half gesloten oogjes naar buiten. Zijn metabolisme is tot stilstand gekomen; al die tijd heeft hij niets gegeten.

Oscar is een uitzondering. Veel baardagamen hebben nooit winterrust, en degenen die dat wel hebben, hebben het nooit zo lang. Ik zit al maanden naar een ogenschijnlijk leeg terrarium te kijken. Ik heb de allersaaiste hagedis van de wereld.

Om de paar dagen doe ik hem in een teiltje warm water. In de natuur nemen ze vocht op uit de klamme aarde. Dat doen ze met hun cloaca. Echt waar: ze drinken met hun anus. Maar in een terrarium is het zand te droog, dus daarom dat teiltje water, zodat hij kan drinken. Met zijn anus.

Een tijdje geleden kocht ik een bakje wasmotlarven, omdat hij die altijd zo lekker vond. Ik hoopte hem over te halen. Tevergeefs; hij hoefde ze niet.

Vorige week lag de vader van mijn ex in het ziekenhuis. Hij zou er sterven. Mijn ex was aldoor daar en dus zorgde ik voor onze jongens. Het was een vreemde week. Toen we hoorden dat hij was gestorven kwam er een soort vliesje op onze dagen te liggen; het maakte alles haarscherp en tegelijk vervormd. Mijn jongens hadden voor het eerst dergelijk verdriet en dergelijke verwarring. Mijn jongste had het aldoor over een raar gevoel in zijn buik; er lijkt daar een orgaan te zitten dat specifiek bestaat voor het registreren van de onbevattelijkheid van het bestaan. 

Op een zeker moment liep ik langs het bakje met larven. Ze waren verpopt, bruin en droog waren ze uit de harde cocon gekropen, maar het bakje was klein en het plafond laag en dus waren de meesten alweer dood, nog voor ze ooit gevlogen hadden.

Gisteren deed ik Oscar weer in bad. Hij leek wakkerder dan ik inmiddels gewend was. Toen ik hem terug in het terrarium zette kroop hij pas ’s avonds terug in zijn hol. Vanochtend pakte het bakje met wasmotten en zette de laatste paar levende neer vlak voor zij neus. Ze fladderden. Hij zag ze. Hij pakte er eentje. En toen een tweede. En toen kwam hij uit zijn hol, en nu zit hij op een steen te zonnen.

Straks, als ik mijn jongens van school heb gehaald, zal ik naar hem wijzen. ‘Kijk wie er weer is!’ En dan zal ik denken aan de dood, en aan die motjes, en aan het leven, hoe het elkaar allemaal verslindt, hoe alles wordt opgeslokt door steeds iets groters, tot ook het opslokken zelf wordt opgeslokt, door zichzelf, steeds opnieuw, eindeloos.


Je kunt je abonneren op deze stukjes voor €2,50 per de maand. Wekelijks krijg je dan een extra stukje. Ook kun je evt een eenmalige bijdrage doen. Zie hier voor meer info. Mijn laatste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.