We reden naar het station van Eindhoven, waar ik mijn vriendin zou afzetten. Achterin zaten mijn twee zoontjes. Vanwege de spits nam ik een andere route en zodoende kwamen we in de buurt van het huis waarin ik opgroeide. ‘Hebben jullie dat eigenlijk ooit gezien?’ vroeg ik. De vraag was voornamelijk gericht aan mijn zoons, maar ondertussen besefte ik dat ik hem evengoed aan mijn vriendin stelde; ik ken haar nog geen jaar. Hun gezamenlijke antwoord was nee.

Eerst reed ik een stukje over de boomrijke laan, die al meteen mijn maag weeïg maakte en mijn hart zwaar, en toen sloeg ik mijn oude straat in. Het huis stond halverwege de straat, en iedere meter van de straathoek tot daar was een meter dieper de put van de melancholie in. (Ik kan niet eens een fotoalbum openslaan zonder te bezwijken aan weemoed.) Mijn stem, echter, was opgewekt, zodat het voor mijn zoontjes gewoon een leuke bezichtiging zou zijn, al hoopte ik wel dat het ze zou fascineren, dat ze zouden proberen om zich voor te stellen hoe ik daar woonde.

Een vrouw stond bij een auto op de oprit naast het huis. Ik remde af en opende onze raampjes, zodat ik kon aanwijzen: boven de voordeur sliep mijn moeder, daar was de grote slaapkamer die ik deelde met broers in verschillende samenstellingen, daar op zolder was mijn kamertje toen ik een puber was. Nog steeds deed ik mijn best om klein te houden wat groot was. Mijn zoontjes tuinden erin, maar niet mijn vriendin; ze legde een hand op mijn knie en kneep.

De vrouw merkte ons op en liep naar ons toe. Het was nu haar huis. ‘Ik woonde hier vroeger,’ vertelde ik, waarop ze zei dat ze dat wist, en dat ze wist wie ik was. ‘De beroemde schrijver toch?’ vroeg ze. ‘Hangt er vanaf wie je het vraagt,’ antwoordde ik, gegeneerd vanwege dat misplaatste ‘beroemde’. Ik wist niet wat ik moest zeggen. Ik wilde niet dat het gesprek deze wending nam, wees naar de ramen en legde uit waar wie sliep en waar ik speelde. Of mijn jongens luisterde wist ik niet, noch kon ik de blik in hun ogen zien; de vrouw eiste mijn aandacht op. ‘De zolder is nu één ruimte,’ zei ze. Ik dacht aan dat zolderkamertje, aan de psychotische episode die ik er uitzat na een overdosis speed – op mijn zestiende, alleen en ongezien – en ik knikte vriendelijk naar haar. ‘Wel nog dezelfde appelboom.’ Ze volgde mijn blik en knikte trots. ‘Ja, en hij geeft nog steeds veel appels.’

Haar man was er nu ook. Hij stond bij de auto en riep; hij wilde vertrekken. Mij bekeek hij met argwaan. ‘Deze man woonde hier,’ zei ze, waarop hij antwoordde: ‘Oké, maar doe dit dan een andere keer.’

Mijn auto stond in de weg; ze konden er niet door; ik moest verder rijden, de straat uit. Het voelde niet goed; ik had nog iets willen vertellen, al wist ik niet precies wat.


Het hierboven beschreven huis heeft ook een rol in mijn boek Wij zeggen hier niet halfbroer. Abonneer je HIER op mijn stukjes.