de vreemdste maandag

Dit moet de vreemdste maandag van mijn leven zijn. Een vriend zei gisteren al: ‘Dit is onze eerste echte acute crisissituatie.’ En dat klopt. Ik werd geboren in 1980; er was nooit echt iets aan de hand. Zelfs mijn ouders hadden nooit zoiets, denk ik. Ik kan alleen de Koude Oorlog bedenken. Maar sloten toen alle café’s en alle scholen? Nee. We hebben de klimaatcrisis, maar die is niet accuut; die brengt ons langzaam aan de kook als kikkers in een pan.

Vannacht was het akelig stil. Normaal hou ik van stilte. Nu niet. Waarschijnlijk was het de nachten eraan voorafgaand trouwens even stil, maar bij stilte gaat er altijd om hoe hij ervaren wordt. Eigenlijk gaat het met alles daarom. Ook had ik een nachtmerrie die overduidelijk door deze toestand beïnvloed was. Het was iets met overleven en kou, en geen verwarming, en het escaleerde dusdanig dat ik een man doodde met vuistslagen. Dat is waar ik midden in de nacht van wakker werd.

Nooit heb ik me, geloof ik, zo eenzaam gevoeld. Mijn jongens gingen gisteren naar hun moeder. Normaal zou ik nu ook alleen zijn geweest, en aan het werk, maar het is dus net als met die stilte: het gaat erom hoe je het ervaart. Nu voelt het alsof ik ieders hand heb losgelaten en ik ze langzaam in de verte zie verdwijnen. Het resulteert in de behoefte aan contact, en dan met name fysiek contact. Iemand vasthouden. Het liefdesverdriet wordt er zo in ieder geval niet makkelijker op. Ook mis ik Vinnie, de hond die ik had. Ik heb zijn nieuwe baasje een berichtje gestuurd en om een update gevraagd. Ineens maak ik me zorgen om hem.

Ik heb mensen hoor. Er zijn mensen. Maar deze situatie trekt ons toch allemaal een beetje uit elkaar, dat voel je. Op mijn meest dramatische momenten gaat de volgende gedachte door me heen: dus dit is hoe het eindigt. Irrationeel en overdreven, ik weet het, maar toch.

En dan dit: hoe snel het gewone leven een droom lijkt. Gisteren keek ik een film waarin mensen in een restaurant zaten te drinken en eten. Normaal zou ik daar niets van denken of bij voelen. Nu had het al iets raars, iets onwerkelijks. De film kon ik daardoor niet meer echt geloven, waardoor mijn betrokkenheid wegviel. Met de roman die ik lees (Edgar & Lucy, steengoed) heb ik hetzelfde. Vluchten in fictie—tv of boek—is dus geen optie.

In de sportschool, nog maar gisteren, riep ik op weg naar uitgang: ‘Niet sluiten hoor!’ Twee uur later waren ze gesloten. Als ik er nu aan terugdenk hoor ik een galm op mijn stem, ook weer als in een droom. En nu zie ik in gedachten al die fitnessapparaten staan, in het donker, verlaten. Zo voelt de hele wereld nu een beetje. Het normale leven is al iets waar je aan terug kunt denken. Dat is een krankzinnige gewaarwording.

Toen ik gisteren mijn atypische stukje naar jullie had verstuurd kreeg ik enkele uren later een mailtje van een abonnee. Ze schreef: ‘Ik vind dit een akelig en stom stukje. Het maakt me verdrietig. Mijn hoop was dat je iets zou schrijven waar we wat aan hebben.’ Zelf vond ik het inmiddels ook al geen leuk stukje meer. In die paar tussenliggende uren was alles alweer veranderd. Want zo snel ging alles nu. Zo snel veranderde het. Overigens weet ik niet of jullie aan dít stukje wél iets hebben. Een hart onder de riem kun je het in ieder geval niet noemen. Wel kan ik zeggen dat ik het met mijn hart geschreven heb.


Abonneer je HIER gratis op deze stukjes. 

hoe ik door het coronavirus in de gevangenis belandde

Ik wilde naar buiten, ook al had ik niet echt een idee van wat ik ging doen. Noem het recalcitrantie, of misschien, als je het wat nobeler wilt stellen, verzet. Hoe dan ook: ik was nog geen twee straten verder toen een patrouillewagen me spotte en ik werd aangehouden. Wat ik aan het doen was en waar ik heen dacht te gaan.

‘Ik zoek mijn kat,’ loog ik, en werd met een waarschuwing terug naar huis gestuurd, waar ik naartoe werd gevolgd door de patrouillewagen tot ik binnen was en de deur had gesloten. Ik stak mijn middelvinger op naar de binnenzijde van de gesloten deur.

Twee uur later, in de avondschemering, glipte ik alsnog naar buiten en sloop ik als een zwarte panter langs de gevels, tot ik bij mijn vaste café-restaurant was aangekomen. Wonder boven wonder was het open. Er waren geen gasten; er was alleen de vrouw die de zaak runde. Wat bleek? Ook zij was recalcitrant, of in verzet gekomen.

Ze maakte mijn cappuccino en was in de weer met kopjes en schoteltjes toen ik haar zag hoesten en ook nog hoorde niezen. Daar trok ík dan weer de grens; dit was gewoon onverantwoord; die bacillen zou ze op mijn kopje en koffie overbrengen. Sterker nog: de bacillen hingen waarschijnlijk al in de lucht.

Dus sprong ik door het grote raam van de gevel en landde ik tezamen met miljoenen stukjes glas op een straatvuilnisbak die daardoor pardoes in brand vloog. Dezelfde patrouillewagen reed langs en zag alles gebeuren. Ik werd gearresteerd.

Ik moest in quarantaine. Of misschien moest je het gewoon een cel noemen. In ieder geval was ik alleen in een kleine ruimte.

Leuk was dit bepaald niet. Was mijn recalcitrantie het waard geweest? Ik had nu in ieder geval genoeg tijd om daarover na te denken.

Dacht ik. Want toch niet.

De wereldbol smolt en verdampte. Met alles erop en eraan. Het ging snel. Alles wat ooit was geweest was nu tot één gaswolk verworden. Vervolgens werden we ingeademd door een reus die er ziek van werd en andere reuzen aanstak. Ze staken elkaar aan niesten en werden verkouden en werden weer beter. Iedere winter hadden ze er opnieuw last van. 

Zo leefde de aarde voort. 


Je gratis abonneren op deze stukjes kan HIER.

geen stukje over het coronavirus

Ik liep van school terug naar huis met een vrouw uit onze straat die daar ook kinderen heeft. Of ik al iets over het coronavirus had geschreven, vroeg ze.

Het antwoord daarop was natuurlijk nee. Anders hadden jullie dat wel geweten. Wat ik tegen haar zei was dat ik geen originele invalshoek wist. Als iets zó prominent aanwezig is, als het in alle media wordt besproken, op alle social media (neem ik aan), bij elke koffieautomaat (neem ik aan), in Zondag met Lubach (neem ik aan), wat kan ik er dan nog over schrijven?

Maar ik snap de behoefte hoor: zolang ik ergens nog niet over heb geschreven bestaat het niet.

Het enige wat ik weet is dat alles veel te snel voor me gaat. Alles. Drie weken geleden was er nog helemaal geen coronavirus in dit land, en nu ligt alles op z’n gat. Maar dat is het niet alleen. Ik hou het allemaal niet meer bij. Iets simpels als een nieuwe dag: daar begrijp ik al niks meer van. Ik heb nergens controle over. Het gebeurt allemaal maar gewoon.

Ik had laatst een lek op zolder. Toen ik er een emmer onderzette begon het op een andere plek ook te lekken. Zo voelt het, als in een tekenfilm: een poppetje steekt z’n vinger in een gaatje in de dijk, en dan is er ergens anders een nieuwe waterstraaltje, en steekt hij daar zijn vinger in, en dan weer een ander straaltje, tot die dijk het begeeft en instort en wordt overspoeld.

Wat zou de metafoor van dat instorten kunnen zijn in de echte wereld? Wat vrees ik? Wat nadert? De dood? Zou het zo voor de hand liggend zijn? Ik weet het niet, maar het is groot. 

Ik had ooit een bejaarde vriend genaamd Huub van Bijnen, artiestennaam Heintje Bondo. Ik kwam wel eens bij hem thuis; het stonk er naar kattenpis en zweet. Huub had vaak gore kleren aan. Dan zei ik: ‘Huub, trek eens een schone broek aan!’ En dan antwoordde hij: ‘Waarom? Die wordt dan toch weer vies.’ Die logica vond ik destijds lachwekkend, maar nu, zoals ik me nu voel, begrijp ik hem wel, en vind ik het een valide argument. Vingers in de dijk.

Mijn jongens worden maar groteren en groter. Ik vrees dat ik nog iets met ze had moeten doen toen ze kleiner waren. Iets wat ik vergeten ben. Wacht even, wil ik steeds tegen hen zeggen. Wil ik tegen álles zeggen. Wacht…

Er is iets niet in de haak. Er zit iets scheef. Als ik gewoon héél even de tijd had om het recht te zetten, weer compleet te maken, op orde te brengen…

Je moet toch óóit ook eens naar iets moeten kunnen kijken en zeggen: ‘Kijk, dat is gewoon dat. Dat daar, dat is hoe het is, daar kun je van op aan.’

 


Deze stukjes gratis per mail? Nou, dat kan hoor! Klik HIER.

mist in zwembad

Het was zondag en ik had mijn jongens en ik was mijn zwembroek vergeten. Ik bedoel: we gingen zwemmen. Een tropisch zwembad in Neerpelt, vlak voor de grens met België. Dat ik alles had ingepakt behalve mijn eigen zwembroek, daar kwam ik pas achter in het krappe, hete pashokje.

Het gevoel van verslagenheid was accuut en intens. Ik had juist baantjes willen zwemmen; ze hadden er ook een vijfentwintig-meter-bad. Soms is lichaamsbeweging het enige waardoor ik me goed voel, het enige wat helpt tegen het gevoel van somberte en machteloosheid. Als ik me erop instel, en het kan niet, dan voel ik me slap en week en troebel. Juist deze zondag had ik het nodig; alles was gedempt.

‘Gaat lekker vandaag, of niet pap?’ zei mijn oudste, die blijkbaar doorhad dat ik weer eens leefde in een mist van verwarring en sufheid.

‘Hou je mond,’ antwoordde ik.

De receptioniste kon me niet helpen. Ze verkocht wel zwembroeken, maar dat waren ‘strakke’ zwembroeken, waarmee ze zo’n korte slip van Speedo bedoelde. Die durfde ik niet te dragen. Ook mocht ik de gevonden voorwerpen doorzoeken: misschien lag er nog een oude zwembroek met remsporen tussen.

Even later zat ik op een stoel, in lange broek en longsleeve, te zweten in de tropische hitte. Het vijfentwintig-meter-bad strekte zich voor me uit, blauw en helder. Ik was de enige in het bad met kleren aan. Ik werd bekeken. Ik kreeg blikken. Ik was een viespeuk. 

De mist trok niet weg. Ik wist niet precies wat het was of hoe het kwam. Dit soort geestelijke verlamming wil nog wel eens veroorzaakt worden door een emotie die te groot voor me is; de stoppen slaan door en het licht gaat uit. Eerder die dag had ik gezocht naar een foto waar mijn jongste om had gevraagd, van hem in zijn jiujitsu-pak, en was ik op een hele reeks andere foto’s gestuit. Waarschijnlijk was dat het geweest.

Kon ik maar zwemmen.

Achter me huilde en schreeuwde een peuter. Ik stelde me voor dat ik ook zijn moeder hoorde schreeuwen. Dat er iets heel ergs was gebeurd. Dat ik haar hoorde schreeuwen: ‘Doe dan iets! Help dan toch!’ Ik zou te traag zijn. Ik zou nog steeds die mist niet uitkomen. Het zou als in een droom zijn. Dat kind verdronk. 

Ergens blafte een hond. Niet in het zwembad. En ik hoorde ook helemaal geen hond blaffen. Maar érgens blafte een hond.


Abonneer je gerust gratis op deze stukjes. Dat kan HIER

feminicidio

Wat een schitterend woord: feminicidio. Ik las het in de krant vandaag. Het is een term die in Mexico wordt gebruikt voor ‘moord op vrouwen omdat ze vrouw zijn’. De betekenis van het woord is dus minder mooi dan het woord zelf.

Sinds 2016 zijn er in Mexico zevenduizend vrouwen vermoord. Uit jaloezie, wraak, eergevoel. Een jongen van zeventien die zijn vriendinnetje doodstak omdat ze nee tegen hem zei. Dit krijg je in een traditionele macho-cultuur waarin masculiniteit en misogynie ongehinderd toxische, dodelijke vormen kunnen aannemen. Aanstaande maandag gaan de vrouwen er staken. Met gevaar voor eigen leven dus.

Ik las het artikel en dacht terug aan de aflevering die ik zag van All You Need Is Love. Het heeft een vast onderdeel waarin Robert ten Brink met een zilveren caravan een nietsvermoedende man of vrouw bezoekt en diegene confronteert met een videoboodschap van een ex-geliefde. De ex-geliefde doet daarmee een poging om de boel weer te lijmen, om nog een kans te krijgen.

In de aflevering die ik zag betrof het een jongen met recht omhoog gekamd haar en ogen die iets te ver open leken te staan. Hij wilde zijn meisje terug. Hij had fouten gemaakt. Robert ten Brink nodigde het meisje uit in de caravan en liet haar de video zien waarin de jongen met bloedend hart zijn pleidooi deed. Maar ik zag het al meteen aan het meisje: het was een gepasseerd station. Haar hart had zich voor hem gesloten. Ze bekeek de video met een mengeling van ongemak en medelijden.

En natuurlijk stond de jongen buiten te wachten. Dat is wat de kijkers willen. Ten Brink liet hem binnen en nu zaten de twee naast elkaar. De jongen brak. Hij huilde. ‘Maar ik hou zoveel van je,’ zei hij snikkend met ogen die nog steeds te ver open leken te staan. Je zag hoe graag hij wilde dat ze hem even vasthield, of hem op z’n minst aanraakte, maar ze had hem verlaten, ook in haar hart, en dat zag je. De jongen kon het niet bevatten: ze waren ooit samen geweest, het was ooit écht geweest; hoe kon zij al in een andere werkelijkheid leven als hij het nog zó sterk voelde?

Ik keek die aflevering met mijn oudste zoon. ‘Wat een sukkel,’ zei hij. Waarop ik zei: ‘Nee, zoveel pijn kan liefdesverdriet echt doen.’ Toen ik dat zei drukte ik mijn eigen tranen weg.

Want ik ben daar ook nog, waar die jongen was. Niet in die caravan natuurlijk, godzijdank, maar je snapt wat ik bedoel: die wereld van verdriet en ongeloof. En ik haat het. Ik neem het mezelf kwalijk, en misschien ook wel degene om wie mijn hart weent. Want zo gaat dat dus. Zo kunnen afwijzing en verdriet leiden tot woede en haat. En als je dan leeft in een cultuur waarin mannelijke trots en eergevoel het hoogste goed zijn, dan heb je dus voor je het weet een moord gepleegd. Feminicidio, krijg je dan. Bloedspetters in die caravan. Robert ten Brink die lijkbleek de deur opengooit en roept naar zijn productieteam: ‘Bel de politie!’ 


Wil je deze stukjes gratis per mail ontvangen? KLIK HIER