eroland

Gisteren liepen mijn oudste zoon, onze nieuwe hond Vinnie en ik op een bospad achter een tweetal vrouwen. De twee vrouwen liepen een meter of tien voor ons. Ze wandelden zonder hond, wat is toegestaan. Vinnie, een lieve en energieke adoptiehond die het midden houdt tussen een pitbull, bullterriër en Spaanse zwerfhond, ging enthousiast bij hen lopen. De vrouwen negeerden het een tijdje en verzochten ons toen lichtelijk geïrriteerd om Vinnie bij ons te houden. Mijn zoon en ik gaven elkaar een blik, zo van whatever, oké, sommige mensen houden er gewoon niet van.

Aangekomen bij de geparkeerde auto’s liepen we nog steeds achter hen. Er woei een briesje, de vrouwen hadden flink gewandeld, ze hieven hun armen op en lieten de wind langs hun oksels gaan. Nu pas keken ze me aan, en plots werd ik herkend. Ze genoten van mijn stukjes, zeiden ze. En Halfbroer was een favoriet van hun tieners. We praatten daar een tijdje over. Ik wilde niet opscheppen maar kon het niet laten om te vermelden dat ik met dat boek ook een prijs had gewonnen. Mijn zoon bleef er even bijstaan en liep toen met een zucht naar de auto. Vinnie zocht nog even aandacht van de vrouwen, maar kreeg die weer niet en liep teleurgesteld mijn zoon achterna.

Er is een album van Roosbeef, die nu geloof ik gewoon Roos heet, dat heet Ze willen wel je hond aaien maar niet met je praten. Ik heb dat altijd een mooie titel gevonden. Maar dit was andersom: ze wilden wel met de schrijver praten maar niet zijn hond aaien. En voor ze me hadden aangekeken, voor ze me hadden herkend, was ik voor hen natuurlijk gewoon een kerel met tatoeages en een pitbull geweest. Dus eigenlijk wilden ze ook niet met míj praten, maar alleen met de schrijver die ik óók ben.

Zojuist wandelden Vinnie en ik langs de erotische videotheek die hier al zit zolang als ik me kan herinneren. Het internet deed zijn intrede en toch hield de eigenaar nog jarenlang stand. Maar nu stond de etalage vol met schreeuwende borden: uitverkoop, we stoppen, alles moet weg. Het net niet gered tot 2020. Ik stopte om er een foto van te maken voor op Instagram. Op dat moment kwam  er een kerel me tegemoet. Vaal petje, afgetrapte sneakers. Hij grijnsde naar me en zei: ‘Zodat je het  straks terug kan vinden zeker!’ Hij dacht dat ik een foto van de winkel maakte om die op een later moment terug te kunnen vinden voor een mooie stapel afgeprijsde dvd’s. Hij liep me voorbij en nam zijn verhaal met zich mee. Het verhaal waarin ik was wie hij dacht dat ik was.

En Vinnie? Die heeft zijn eigen verhaal. Die herinnert zich het Spaanse land waar hij rondzwierf, het zigeunerkamp waar hij voedsel stal, de mensen die hem verjoegen en verfoeiden. Hij droomt erover in zijn mand. Ik aai hem wel. 


Je gratis abonneren op deze stukjes, die ik amper nog schrijf, kan HIER.

deze zondag

Zo’n feestdag als vandaag komt voor mij altijd onverwacht. Zeker als ik alleen ben. Sportschool blijkt dicht, supermarkt blijkt dicht. Verdwaasd sta ik naar die gesloten deuren te staren.

Ik wilde sporten, bewegen, het restje van de monsterlijke kater die ik gisteren had eruit zweten. Dus fietste ik zo hard als ik kon naar een terrasje midden in het bos. Daar las ik in The Satanic Bible van Anton LaVey en dronk ik een koffie verkeerd plus een glas water. Met een markeerstift kleurde ik her en der een zin geel. Every man is a god if he chooses to recognize himself as one. Dat was er eentje. Een andere was deze: It is a well know fact that many people die simply because they give up and just don’t care anymore. Man has become lazy. He has learned to take the easy way out.

Het was druk op het terras. Ook vanwege die feestdag natuurlijk; dat besef overkomt me altijd meerdere keren. De vrouw van het stel naast me keek naar de kaft van m’n boek, met op de kaft een pentagram met een geitenkop erin, en ook die titel natuurlijk.

Op de terugweg kwam ik langs de weg die naar de begraafplaats leidt waar mijn stiefvader ligt, en ook mijn vriend van vroeger, die op zijn vierendertigste zelfmoord pleegde. Ik reed er voorbij maar keerde om en sloeg alsnog die weg in. Op het kerkhof wist ik niet waar ik zijn moest, dus liep ik langs rij na rij met doden. Die niet, die niet, die niet. En toen stond ik ineens bij mijn stiefvader. Ik wist dat ik hem zou vinden en toch kwam het als een shock: een soort tinteling in mijn hele lijf, een elektrische golf die eindigde in mijn kruin en iets deed met mijn nu gesloten ogen. Kijken durfde ik pas na een tijdje weer, maar toen was het graf al een stuk steen geworden.

Toen ik verder liep, op zoek naar m’n oude vriend, begreep ik niet waarom ik me zo raar voelde. Ik vreesde iemand te zullen tegenomen. Ik zou me schamen. Het was alsof ik geen recht had om hier te zijn, en geen recht had op verdriet. Ik voelde me een fraudeur. Op het moment dat ik die weg insloeg vond ik mezelf eigenlijk al meteen veel te melodramatisch. En natuurlijk kon ik dit stukje tekst al voor me zien. Was ik überhaupt wel verdrietig? Ik weet dat vaak niet, ik kom er niet bij.

Bij het graf van m’n vriend dacht ik aan dat zinnetje: He has learned to take the easy way out. Die vriend heeft ook ooit LaVey gelezen, zoveel is zeker. Maar gelukkig staat er ook: Unless death comes as an indulgence because of extreme circumstances which make the termination of life a welcome relief from an unendurable earthly existence, suicide is frowned upon by the Satanic religion. Gezien die stelling was de daad van mijn vriend dus waarschijnlijk niet frowned upon. Dat ik hier bij zijn graf stond, dát was frowned upon, dat wist ik zeker, al wist ik niet precies waarom en vond ik het ook niet helemaal eerlijk.


Deze stukjes gratis per mail ontvangen? Klik dan hier. 

dolksteekduif

Zeven jaar lag werd Ewold Horn door islamtische extremisten gegijzeld in de Filipijnse jungle. Steeds als het leger de groepering op het spoor was, of een gedeelte ervan oprolde, werd Ewold niet gered. In 2014 had hij een kans toen het leger het kamp aanviel waarin hij en een andere gijzelaar zaten opgesloten. In de commotie wist de andere gijzelaar te ontsnappen. Ewold was te zwak, vertelde die ander later. Hij had Ewold moeten achterlaten.

Zeven jaar lang in de klamme hitte, tussen insecten en slangen, opgesloten in een kooi van bamboe. Pissen en kakken in een emmer. Geen medelijden, geen compassie. Iedere dag hetzelfde. Op momenten moet de wanhoop dodelijk hebben gevoeld, hij zal ervan overtuigd zijn geweest dat hij eraan zou bezwijken, maar wanhoop is nooit dodelijk, dat maakt het zo’n wrede emotie.

De reden dat hij naar dat deel van de Filipijnen was gekomen, ook al wist hij dat het gevaarlijk gebied betrof, was de gallicolumba luzonica, oftewel de dolksteekduif. Een duif met een felrode, slordige vlek op zijn borst, alsof hij met een dolk is gestoken.

Ewold was een vogelspotter. Voor een vogelspotter is het vinden van een bepaalde vogel niet hetzelfde als het vinden van een bepaalde postzegel voor een postzegelverzamelaar. Tenminste, dat denk ik. Een vogel leeft. Een vogel kun je aankijken. En als een vogel zo zeldzaam is dat je bijna van een mythisch wezen kunt spreken, dan heb je te maken met een geest, een folkloristisch beest dat alleen werkelijk bestaat als jij ernaar kijkt. In dat moment ben je onderdeel van de mythe, en toch weet je dat het echt is, want je bent erbij, hoe kort het ook duurt.

In zijn schitterende reisverslag The Snow Leopard maakt Peter Matthiessen een barre tocht door Nepal. Dit in een tijd dat het nog geen toeristische attractie was. Het was een innerlijke reis evenzeer als een fysieke reis, en het spotten van de ongrijpbare sneeuwluipaard was van die reis de logische conclusie. Het zou een bevestiging zijn, een kosmische erkenning. Maar Matthiessen heeft de sneeuwluipaard niet gezien. Het dier was er aldoor in zijn gedachten, in zijn ziel, maar nergens te zien. Ergens, vlakbij, moet die kat geslopen hebben. Matthiessen heeft er vrede mee. Sterker nog: hij vond het beter zo.

Nu vraag ik me uiteraard al de hele tijd af of Ewold Horn gedurende die zeven jaar in de jungle de dolksteekduif heeft gezien. Ik denk het wel. Het moet haast wel. De vogel komt alleen voor in de jungle van de Filipijnen. Misschien zag hij er regelmatig eentje. Hoe zal dat geweest zijn, de vogel zien waarvoor je gevaarlijk gebied trotseerde? Op een tak, plukkend in zijn eigen veren, vrij en achteloos, en dan weer verdwenen.


Je kunt je HIER gratis abonneren op deze stukjes.

mount everest

Voor de spiegel na het douchen, tijdens het spieren aanspannen, zag ik plots een gekke, nieuwe moedervlek op m’n rechterzij. Ik raakte hem aan. Het was geen moedervlek. Het was een gore teek.

Ik pakte hem vast, gelukkig had hij zich nog niet diep kunnen ingraven. Toen ik aan hem trok voelde ik m’n huid een stukje meegeven. Hij schoot los en spartelde ontheemd tussen mijn duim en wijsvinger. Ik wierp hem in de wasbak en spoelde hem weg. Op mijn zij zat nu een rood vlekje. Nog geen rode ringen, nog geen Lyme, maar ik hou het in de gaten. Mijn tante heeft Lyme en die heeft sindsdien niet meer kunnen werken.

De teek is het gevaarlijkste dier van Nederland. Ik durf zelfs te beweren van heel Europa, al dingt sinds kort ook de tijgermug mee naar die status. Ik kom liever een wolf tegen dan een tijgermug.

Het personage Chris, in mijn roman Bidden en vallen, trof ook bij zichzelf een teek aan. Het was een omen, een lotsbezegeling. Want daarmee associeer ik de teek. Alsof de duivel je gemarkeerd heeft. Je ziet het en je denkt: het zat er altijd al aan te komen, en nu is het er.

In de sportschool, gisteren, na de gezamenlijke buikspieroefeningen, praatte ik met de Afrikaanse jongeman die me eerder in gebrekkig Nederlands had verteld dat hij van kanker was genezen. Drie maanden geleden werd hij gezond verklaard en nu wil hij weer fit worden. Ik vroeg of hij vreesde dat de ziekte zou terugkeren. Nee, in het geheel niet. Ook tijdens de ziekte was hij niet bang geweest, hij was altijd positief en mentaal sterk gebleven. ‘Wat knap,’ zei ik. ‘Ik zou aldoor wanhopig zijn. Sterker nog, ik ben nu ook aldoor wanhopig, en ik ben niet eens ziek.’ Hij lachte hard. Dacht dat ik een grapje maakte.

Vanochtend bij de koffie vertelde mijn vriend T. dat Mount Everest tegenwoordig door zoveel mensen wordt beklommen dat er langs de weg naar boven overal hippe zaakjes zijn gebouwd waar je biologisch kunt eten en macchiato met havermelk kunt drinken. Het is er zo druk dat je soms drie uur moet wachten voor je verder kunt klimmen, vanwege de mensen voor je. Blijkbaar staat het op ieders bucketlist, en blijkbaar maakt het al die mensen niet uit dat Mount Everest allang Mount Everest niet meer is. Gelukkig komt het wel nog steeds voor dat er mensen sterven onderweg. Trouwens, als je een berg wilt beklimmen moet je gewoon Solo Faces van James Salter lezen.

Ik weet niet wat dit allemaal met elkaar te maken heeft. Maar ik voel een verband. En ik denk jullie ook.


Je kunt deze stukjes gratis per mail ontvangen. Klik hier.

three identical strangers

Ik moet er een stukje aan wijden, ik kan niet anders, al heb ik geen idee wat ik er precies over wil zeggen. Ik heb het over de prachtige documentaire Three Identical Strangers, die nu in sommige bioscopen draait. Over een geadopteerde jongeman, inmiddels in de vijftig, die op zijn negentiende per toeval ontdekt dat hij een tweelingbroer heeft, en die dan, als het nieuws over de verbazingwekkende hereniging met die broer in een krant is verschenen, een dérde identieke broer blijkt te hebben. Een drieling, van elkaar gescheiden na de geboorte zonder dat zij of hun adoptieouders daar iets van afwisten. Ze vonden elkaar en vónden elkaar. Vanaf dat moment waren ze de drie musketiers. In alles leken ze identiek te zijn. Iedere talkshow wilde hen hebben. Roken jullie echt hetzelfde merk sigaretten? Jazeker. Jullie hebben alledrie echt geworsteld? Jazeker. Jullie hebben echt dezelfde smaak in vrouwen? Met een drievoudige grijns: Jazeker. Hilariteit alom.

Maar dan wordt het verhaal donkerder. (Als je geen spoiler wilt moet je nu stoppen met lezen.) De ouders zijn boos, terecht natuurlijk, en ze eisen een verklaring. Ze krijgen een valse: ‘Niemand wil een drieling adopteren, daarom gaven we ze apart weg.’ Maar een journalist duikt er dieper in. De shock was groot. Ze bleken deel uit te maken van een psychiatrisch experiment. Zij en andere meerlingen werden opzettelijk van elkaar gescheiden – nogmaals: zonder dat zij of hun ouders dat wisten – en in verschillende milieus ondergebracht. De leider van het experiment zag het als de ultieme test: in hoeverre bepaalt genetica ons leven, en in hoeverre de opvoeding? Maar het onderzoek werd voortijds afgebroken en de resultaten zijn nooit openbaar gemaakt.

De drie broers begonnen samen een restaurant. Toen dat in het slop raakte keerde één van hen de andere twee de rug toe. Het einde van het restaurant, en de breuk, viel één van de overblijvers zo zwaar dat hij psychisch in de war raakte en zelfmoord pleegde. Hij bleek bipolair. Die aanleg hadden ze waarschijnlijk alledrie, maar alleen bij die ene kwam het in alle hevigheid tot bloei. En wat bleek? Alleen hij was opgegroeid bij strenge, vrij liefdeloze adoptieouders, met een militaristische vader die was gebrand op discipline en orde. En dat was totaal niet hoe hij was. Zijn hele jeugd voelde hij zich een vreemde, en ongewenst.

Tja, eigenlijk wisten we het allemaal al wel, toch? Genetica bepaalt veel, maar niet alles. Opvoeding en thuissituatie maken het verschil. Dat besef is zowel hoopvol als ontmoedigend, afhankelijk van het perspectief dat je hebt.

Na de film ging ik wat eten met T, de vriend met wie ik naar de bioscoop was geweest. Mijn therapie kwam ter sprake. Ik biechtte op: ‘Ik had nooit verwacht dat ik iemand zou worden die in paniek raakt als zijn therapeut op vakantie gaat.’ Hij lachte en noemde me Woody Allen. Maar ik kon alleen maar aan die ene broer denken.


Je gratis abonneren op deze stukjes kan HIER.