buurman & buurman

Ik stapte de deur uit, op een mooie dag, toen ik mijn buurman op een ladder zag staan. Hij stond het stukje muur en het afdakje boven zijn voordeur te poetsen, witgeverfd, precies als bij mijn huis. We groetten elkaar. Ik keek naar mijn afdakje en mijn muur. Er zaten zwarte vegen op en er kleefden veel oude spinnenwebben aan. ‘Dat moet ik ook eens doen,’ zei ik.

Hij knikte. ‘Het werd tijd. Ik ben echt alles aan het poetsen. Iedere plank, ieder hoekje. Het was echt nodig.’

Het was echt nodig. Die woorden haakten zich in me vast. Ik stond op het zompige bladerdek van mijn ruiende hazelaar en keek naar mijn dakpannen, die veel smeriger waren dan die van hem, en veel smeriger dan die van de buren aan de andere kant, eigenlijk dan die van de hele straat. Mijn dak is een zwarte kolom in een rode rij. Ze hebben de pannen een keer met z’n allen laten vervangen, omdat dat goedkoper was, en toch deed ik niet mee. Ook dacht ik aan de gammele kraan en het vermolmde keukenblad waarin hij steeds losser komt te zitten. Ik keek naar het perfect gesnoeide en betegelde voortuintje van mijn buurman en voelde paniek opkomen. Ik had ineens jeuk, alsof ik niet had gedoucht. Alles viel uit elkaar, alles was aan het verrotten.

‘Ik moet het binnenkort ook doen,’ zei ik. ‘Er echt een dag er voor nemen.’ Hij knikte. ‘Zeker, je moet er echt een dag voor nemen, of twee.’ Enthousiast beaamde ik dat, alsof ik er ervaring mee had. Heel even kon ik doen alsof we tot dezelfde soort behoorden, hij en ik. 

Ik fietste de straat uit, de moed in mijn schoenen, en dacht aan de passage die ik had gelezen in een essaybundel van Alan Watts. Hij vergeleek de mens met Shiva, als een godheid met ontelbaar veel armen, maar alleen als we onszelf niet reduceren tot het ego, tot de piloot waarvan we denken dat die de boel aanstuurt, die zogenaamd de controle zou hebben. Die overtuiging zal ons slechts frustreren en leiden tot teleurstellingen/ haat/ woede/ etc. Maar als je beseft dat je ook je hart bent, en je teennagels, en je darmen, dan doe je krankzinnig veel dingen tegelijk; je laat je haar groeien, je verteert je eten, je pompt je bloed rond, je deelt je cellen, je vecht tegen virussen, etc. Om nog maar te zwijgen van de complete wereld die opdoemt in het bewustzijn, en die jij dus in feite creëert, uit het niets. Moest ik dan echt óók nog het afdakje boven mijn voordeur poetsen?

Die gedachte hielp maar even. Was ik maar meer als die buurman. Je kunt nu roepen: ‘Doe dat dan! Ben dan zo!’ Maar dan moet je die piloot hebben, die ik nu heel duidelijk in mijn cockpit kan zien zitten. Hij knikt enthousiast en steekt zijn duim op. ‘Gaan we doen!’ roept hij. Maar ik zie ook de grijns en de knipoog.


Een abonnement met extra’s of een donatie doen? Klik hier

oscar ontwaakt

Al sinds eind juli is Oscar, mijn baardagaam, in winterslaap. Of eigenlijk noem je het winterrust, want hij is wakker. Hij ligt onder een stuk hout en loert door half gesloten oogjes naar buiten. Zijn metabolisme is tot stilstand gekomen; al die tijd heeft hij niets gegeten.

Oscar is een uitzondering. Veel baardagamen hebben nooit winterrust, en degenen die dat wel hebben, hebben het nooit zo lang. Ik zit al maanden naar een ogenschijnlijk leeg terrarium te kijken. Ik heb de allersaaiste hagedis van de wereld.

Om de paar dagen doe ik hem in een teiltje warm water. In de natuur nemen ze vocht op uit de klamme aarde. Dat doen ze met hun cloaca. Echt waar: ze drinken met hun anus. Maar in een terrarium is het zand te droog, dus daarom dat teiltje water, zodat hij kan drinken. Met zijn anus.

Een tijdje geleden kocht ik een bakje wasmotlarven, omdat hij die altijd zo lekker vond. Ik hoopte hem over te halen. Tevergeefs; hij hoefde ze niet.

Vorige week lag de vader van mijn ex in het ziekenhuis. Hij zou er sterven. Mijn ex was aldoor daar en dus zorgde ik voor onze jongens. Het was een vreemde week. Toen we hoorden dat hij was gestorven kwam er een soort vliesje op onze dagen te liggen; het maakte alles haarscherp en tegelijk vervormd. Mijn jongens hadden voor het eerst dergelijk verdriet en dergelijke verwarring. Mijn jongste had het aldoor over een raar gevoel in zijn buik; er lijkt daar een orgaan te zitten dat specifiek bestaat voor het registreren van de onbevattelijkheid van het bestaan. 

Op een zeker moment liep ik langs het bakje met larven. Ze waren verpopt, bruin en droog waren ze uit de harde cocon gekropen, maar het bakje was klein en het plafond laag en dus waren de meesten alweer dood, nog voor ze ooit gevlogen hadden.

Gisteren deed ik Oscar weer in bad. Hij leek wakkerder dan ik inmiddels gewend was. Toen ik hem terug in het terrarium zette kroop hij pas ’s avonds terug in zijn hol. Vanochtend pakte het bakje met wasmotten en zette de laatste paar levende neer vlak voor zij neus. Ze fladderden. Hij zag ze. Hij pakte er eentje. En toen een tweede. En toen kwam hij uit zijn hol, en nu zit hij op een steen te zonnen.

Straks, als ik mijn jongens van school heb gehaald, zal ik naar hem wijzen. ‘Kijk wie er weer is!’ En dan zal ik denken aan de dood, en aan die motjes, en aan het leven, hoe het elkaar allemaal verslindt, hoe alles wordt opgeslokt door steeds iets groters, tot ook het opslokken zelf wordt opgeslokt, door zichzelf, steeds opnieuw, eindeloos.


Je kunt je abonneren op deze stukjes voor €2,50 per de maand. Wekelijks krijg je dan een extra stukje. Ook kun je evt een eenmalige bijdrage doen. Zie hier voor meer info. Mijn laatste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.

het donkere water

Als de wekker gaat in het donker is het alsof er iets niet goed is. Wakker worden voelt verkeerd. Wat me wacht wanneer het licht aangaat is te zwaar, te veel, te moeilijk. Ik heb het niet over nog even lekker willen slapen. Ik heb het over weerzin, niet willen leven. Het warme water van de slaap rolt als branding over me heen en trekt me terug naar zee. In zekere zin is het een verlangen naar de dood, vermoed ik. De drang om er niet meer te zijn.

Gekke gedachte dat ik iedere ochtend de moed en zin bij elkaar moet sprokkelen om te leven. In die eerste minuten lijkt het onmogelijk, simpelweg een te grote opgave.

Ik hoor de voetstappen van mijn jongste op de trap en voel hem bij me kruipen. Even zeggen we niks en is er alleen onze warmte en ons ademen. Ik lig dan te vechten tegen het verlangen om te sterven, ik wacht op redenen om te leven. Die komen altijd vanzelf wel; de nacht sluipt bij me vandaan maar fluistert naar me dat hij me weet te vinden, hij geeft me een knipoog en zegt dat ik altijd welkom ben.

Dan de douche, de luide stralen, de laatste restjes duisternis die door het putje spoelen.

Vorige week interviewde ik een vrouw die na negen maanden een dood kind baarde en  daarna nóg een miskraam kreeg nadat er, middenin Amsterdam, een handgranaat onder haar auto was geëxplodeerd. Zij staat iedere ochtend vrolijk naast haar bed, zei ze. Met het ontwaken komt ook de levenslust. Bij haar zakt de moed haar juist in de loop van de dag in de schoenen, onverwacht en fel, wanneer ze haar best moeten doen om een reden te vinden voor de kleine dingen: het bereiden van eten, het poetsen van tanden, de ene voet voor de andere zetten.

Charles Bukowski zei ooit dat hij respect had voor eenieder die ’s ochtends zijn of haar veters strikt. Omdat het krankzinnig veel moed vergt, zo redeneerde hij.

Er is altijd het donker. Als een cape. Achter je, om je heen, en hoe harder je rent, hoe harder ze wappert. 


Je kunt je abonneren op deze stukjes en ook kun je een eenmalige donatie doen. Klik hier. Mijn meest recente boek is Wij zeggen hier niet halfbroer.

ed kemper

Na de tweede aflevering van Mindhunter, een dramaserie over de intrede van de psychologie in de FBI, haakte ik af. Ik kon niet tegen dat uitleggerige. Kijk, dit is hoe het toen ging. Complete Wikipedia-pagina’s in de dialogen gepropt.

Wel kwam ik zo terecht bij de echte video-interviews met seriemoordenaar Ed Kemper, die als personage in de serie voorkomt. Ze staan gewoon op Youtube. Kemper was (of ís, want zit opgesloten) een beer van een vent met het gezicht van een nerd. Hoogbegaafd. Begin jaren zeventig gaf hij zichzelf aan. Ze hadden hem anders nooit te pakken gekregen, beweerde hij. Toen hij zichzelf aangaf had hij net zijn moeder vermoord.

De FBI interviewde hem en liet hem rustig praten. Niet onder dwang, niet met een felle spot op hem gericht. Puur om inzicht te krijgen in moordzaken waar een motief leek te ontbreken. Het is fascinerend om hem te zien praten. Hoe goed hij zichzelf begrijpt. Hoe kalm hij vertelt. De tranen wanneer het over zijn moeder gaat.

Ze woonden nog altijd samen, zijn moeder en hij. Zijn hele leven was hij door haar vernederd, gemanipuleerd en kleingehouden. Normaal contact met meisjes was onmogelijk geweest. Op een avond liep hij, na een dag ruziën, haar kamer binnen, misschien wel om het goed te maken. Ze zat te lezen in bed en zei bitter: ‘Oh, I suppose now you want to talk all night again.’ Hij verliet de kamer en wist dat hij haar zou doden, zoals hij dat ook had geweten bij de andere vrouwen; een alles verzengende hitte die hem vanbinnen aanvrat. In het interview huilt hij als hij haar woorden herhaalt. Haar kilte, haar bitterheid.

Diezelfde nacht onthoofdde hij haar en had hij seks met haar hoofd en lichaam. ‘I humiliated her body.’ Daarmee was de reeks vermoorde vrouwen tot een einde gekomen. Een catharsis, zo noemde hij de moord op zijn moeder. In feite waren alle vrouwen die hij had vermoord surrogaten voor zijn moeder geweest.

Ik luisterde naar hem en had wat ik vaker heb: ik begrijp het. Niet dat ik ook zo’n moeder heb, of dergelijke extreme driften, maar mijn empathie neemt bezit van me. Ik snap het. Ik bedoel niet alleen dat ik de logica kan volgen, of de psychologie, maar ik vóél het. En dan gebeurt er iets anders: ik ben opgelucht dat ik zo niet ben. Omdat ik wel zo had kúnnen zijn. Datzelfde heb ik ook wel eens wanneer ik bijvoorbeeld mijn zoontje in bad doe en erop toezie dat hij zijn piemel wast. Dan ben ik ineens opgelucht dat ik daar niet seksueel opgewonden van raak, omdat het wel zo had kúnnen zijn.

Ook was ik ineens bijna ontroerd door deze Kemper. Zijn openhartigheid en plotse emotie. Maar ook door die interviewer, die daar zonder oordeel zit te luisteren. Oordeel of moraliteit hadden op dat moment geen enkel nut meer, geen enkel bestaansrecht. Na een verwoestende orkaan ga je ook niet heel boos weigeren om die orkaan in kaart te brengen. De orkaan was er. Je weet dat de orkaan er moest zijn. Nu wil je hem begrijpen. De kracht, de zeldzaamheid, de unieke samenloop van omstandigheden. Misschien heb je er zelfs ontzag voor. 


Abonnement op deze stukjes? Klik hier. Een boek lezen? Ze heten Bidden en vallen en Wij zeggen hier niet halfbroer.

zo’n stukje

In de kroeg vroeg iemand: ‘Zo’n stukje, hoe lang doe je daar nou over?’

Ik antwoordde: ‘Halfuurtje ongeveer. Ik schrijf het bij de koffie. Daarna ga ik pas echt schrijven. Zo’n stukje is een soort warming-up.’

Dat voelde goed om te zeggen. Het wordt me vaker gevraagd, en altijd baad ik in de verbazing van de ander. Daarom zeg ik het ook extra achteloos, zodat het nog stoerder klinkt, terwijl ik vanbinnen grijns als een jongetje dat vertelt dat hij het afgelopen voetbalseizoen topscoorder was. Maar soms lukt dat niet, soms kan ik het niet met een strak gezicht zeggen.

Zoals laatst, toen ik een vrouw op bezoek had die zelf ook schrijft. Zij vroeg me hetzelfde, en wederom antwoordde ik: ‘Halfuurtje, ik doe het bij de koffie, pas daarna ga ik écht schrijven.’ Ik probeerde het met een strak gezicht te zeggen, maar ze had me door. Ze fronste en schudde haar hoofd.

‘Wat?!’ zei ik lachend, me zogenaamd van geen kwaad bewust.

‘Kijk hoe zelfingenomen je dat zegt.’

Zeker, het is lekker om te zeggen, zeker tegen iemand die al blij is met vijfhonderd woorden op een hele dag, zoals zij. Het fijnste om te zeggen is: ‘Pas daarna ga ik echt schrijven.’ Alleen jammer dat dat een leugen is.

Vaker niet dan wel ga ik na een stukje echt aan de slag. Soms heb ik een deadline voor een tijdschrift, voor een interview of iets dergelijks, maar ook dat kost me hooguit een uur. Ik ga sporten, of ik doe Oscar in bad, of ik kijk nieuws over MMA op Youtube, een serie op Netflix, of ik neem een piepkleine dosis LSD. Ook kan het zijn dat ik m’n jongens van school moet halen, of dat er een gereserveerd boek voor me klaarligt bij de boekhandel, waar ik dan thee blijf drinken. Uiteraard moet ik ook heel vaak in bad; een schrijver met een penetrante lichaamsgeur is niet meer van deze tijd. (Waarvan akte, Christiaan Weijts?)

Dat is misschien het nadeel van deze stukjes: na de laatste punt is het gedaan. Ik heb iets af, ik heb gewerkt, er is iets gezegd. En het is natuurlijk juist die voldoening die de schrijver zoekt, die hem voortdrijft. Bij een roman is dat een lange afstandsloop, een jacht op die laatste punt, die tegelijk een stip aan de horizon is. 

Maar dat heb ik dus niet. Althans niet meer. Ik heb alleen deze stukjes, die ik schrijf bij de koffie, waarna ik in een open veld sta met aan alle kanten een horizon en nergens een stip.

De volgende keer dat iemand me vraagt hoe lang ik over een stukje doe dan zal ik antwoorden: ‘Begin niet over mijn stukjes. Mijn stukjes zijn de nagels aan mijn doodskist.’


Doneren of een plus-abonnement? Klik hier. Mijn laatste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.