china aan de andere kant van de schutting

Mijn oude buurman laat zijn dakgoot opknappen en ik heb muizen. De man door wie mijn oude buurman zijn dakgoot laat opknappen is ook oud. Ze zijn kennissen. Dat weet ik omdat ik ze plat Brabants hoor praten als het mooi weer is en ik in de tuin zit. Ik hoor ze aan de andere kant van de schutting. De ladder hoor ik ook. Soms hoor ik ze praten en soms hoor ik de ladder. Mijn oude buurman warmde gisteren soep op. Ze gingen ervoor zitten, onder een luifel, en praatten over China en het virus. Ze hadden er een duidelijke mening over. Vooral de klusser.

Terwijl ik naar hen zat te luisteren, op een tuinstoel naast mijn huis, zag ik door de open deur een muis door de keuken rennen. ‘Hé!’ riep ik boos, overeind gekomen, alsof het een hond betrof die stiekem uit een pan gehaktballen aan het vreten was. Uiteraard was de muis al verdwenen. Hij schoot weg achter de prullenbak in de hoek. Toen ik erachter keek was hij in rook opgegaan. Ik zag nergens een holletje. De laatste tijd zie ik ze wel vaker lopen. Mijn huis is niet langer alleen maar míjn huis.

De oude klusser geloofde niet dat het virus door mensen verspreid kon zijn vanuit China. ‘Dat is onmogelijk. Naar ál die landen? Naar Zwitserland, Italië, Nederland, Amerika, Brazilië…’ Kalm somde hij nog een hele reeks landen op. ‘Dus er zijn Chinezen naar ál die landen gereisd om het virus te verspreiden? Dèh maakte mij nie wijs.’ Nee, het was anders gegaan, wist hij. Het virus vloog door de lucht, met de wind mee, naar alle uithoeken. Mijn oude buurman sprak hem niet tegen. Ze aten hun soep.

Ik las verder in mijn boek en zag toen weer die muis—of een andere—door de keuken rennen. Het was een gezonde, glanzende muis. Een kwiek en vrolijk diertje. Ze hebben het hier blijkbaar goed, die muizen.

‘Hé!’ riep ik weer, en kwam mijn stoel weer uit. Ik wist best dat ik hem opnieuw niet te pakken zou krijgen, maar mijn verontwaardiging was te groot om te blijven zitten. Moest ik dit dan zomaar pikken? Of gingen ze soms ook meebetalen aan de hypotheek?

‘Ik ga maar weer eens beginnen,’ zei de oude klusser aan de andere kant van de schutting. Het geluid van de ladder.

Mensen in hun tuinen. Met hun ideeën over de wereld. Ideeën over eigendom. Ideeën over China. En die muizen met ideeën over broodkruimels. En de soepborden leeg. De dakpannen opgewarmd onder een zon die weet heeft van huis noch muis.

 


Als ik jou was zou ik me op deze stukjes abonneren. Het is gratis.

singulariteit

Momenteel schrijf ik niet veel. Geen eigen werk, bedoel ik. De drift waarmee ik in drie maanden tijd Ernest Hemingway is gecanceld schreef is verdwenen. Noem het maar stilte na de storm, of een val na de race. Het is weer het gevoel dat niets beklijft, dat ik me overal toe moet zetten.

Om deze reden kunnen ook boeken, films of series me niet echt meer boeien. Niets komt binnen. Derhalve kijk ik dingen die ik normaal niet kijk, zoals gisteren een documentaire over extreme sporters: mensen die surfen op twintig meter hoge golven, die van een belachelijk steile berg af skiën. Misschien voelde ik me ertoe aangetrokken omdat ik verlang naar dergelijke toewijding en hyper-intense doodsverachting. Het schitterende natuurgeweld en de pure eenzaamheid die nooit saai of pijnlijk voelt; er staat te veel op het spel.

Het meeste voelde ik bij de paragliders, mannen die met zo’n langwerpige parachute (in de breedte) van een berg af rennen en dan vliegen. Ze zweven op de warme-luchtstromen, soms rakelings langs de grond en rotsen, maar ook hoog boven het water. Ze stijgen ook; het is niet alleen maar dalen zoals bij een reguliere parachute. Een mens kan dus echt vliegen. Uren lang. Die parachute, dat is een paar vleugels. Een mens is dan niet anders dan een vogel. Maar meer nog was er de realisatie dat de dromen waarin ik vlieg—en dat zijn er veel—de manier van opstijgen precies is als bij de paragliders, maar dan zonder parachute: ik ren tegen de wind in en word opgetild, en dan vlieg ik.

Op de één of andere manier denk er steeds weer aan. Ook toen ik in De Groene Amsterdammer een ingewikkeld stuk las over virussen en hoe de mens zich tot de natuur verhoudt. De auteur schreef over onze geschiedenis en haalde een voorbeeld aan: dat honderd jaar geleden een Ier nog nooit buiten Ierland was geweest en niets over de rest van de wereld wist. Nog maar honderd jaar geleden! Nu hebben we de atoom gesplitst, is er Google en artificial intelligence en kunnen chirurgen operaties uitvoeren ook al zijn ze er zelf niet bij. Het gaat te snel. Het is rakelings vliegen langs een rotswand. Sneller en sneller, tot het zo snel gaat dat niets meer van elkaar te onderscheiden is, omdat je niks meer kunt vasthouden, niets meer scherp in beeld kunt krijgen en niet meer weet wie of wat je bent.

Singulariteit. In kosmologische zin betekent het: ‘Een punt met een oneindig klein volume en een oneindig grote dichtheid. De ruimtetijd is hier zó sterk gekromd, dat ruimte en tijd feitelijk ophouden te bestaan.’ In technologische zin betekent het zoiets als: ‘Het moment waarop artificial intelligence verder ontwikkeld is dan onze eigen intelligentie en daardoor meer invloed uitoefent op onze maatschappij dan wijzelf.’ In spirituele kringen heb je nog zoiets als advaita, oftewel non-dualisme, oneness, de ondeelbare en inherente essentie van het al.

En ik zie dan ook nog een overkoepelende vorm van singulariteit voor me; eentje waarin alle drie de vormen samenkomen en één zijn. En dat begint met zo’n sprong tegen de wind in. Dan versmelten met alles. Erin opgaan.

Opnieuw dacht ik hieraan toen ik zojuist op mijn fiets voor rood licht stond te wachten. Over de ringwegdie ik wilde overstekenreed een mooie oude camper voorbij. Die dingen vallen me tegenwoordig altijd op; het was de droom van mijn ex-vriendin om er samen in te reizen. Dat leek me eerst niks—zo krap en benauwd—maar later wel. Later in de zin van: toen het al te laat was. ‘Kijk,’ zei ik hardop tegen mezelf toen de camper voorbijkwam. ‘Daar gaat onze droom.’

Wat dit laatste met het bovenstaande te maken heeft? Ik denk de snelheid. Hoe je bijna de lucht langs je gezicht kunt voelen gaan, onderweg naar een punt met een oneindig klein volume en een oneindig grote dichtheid, waar de ruimtetijd zo sterk is gekromd dat ruimte en tijd feitelijk ophouden te bestaan. Omega.

 


Héél leuk als je je op deze stukjes wilt abonneren. Het is gratis.

Afgelopen dinsdag verscheen mijn thrillernovelle: Kwaad bloed.

eternal sunshine above the spotted mind

Een vrouw te paard in het bos keek op haar telefoon. Met mijn nieuwe fiets reed ik over een dun, verhard pad. Het was een open plek in het bos. De vrouw op het paard kwam me tegemoet op een zandpad. Ik zag het eerst aan haar houding: gebogen hoofd, neerwaardse blik. Het paard sjokte door het zand. De vrouw, kalm met haar telefoon in de hand, keek niet op of om.   

Ik was gaan fietsen voor de gezondheid van mijn geest. Ook wel voor die van mijn lichaam, maar het ging me voornamelijk om mijn geest. Het groen in, en dan doortrappen onder een lichtblauwe lucht met een zachte zon. Als mijn fietstocht al iets met mijn telefoon te maken had, dan was het dat ik juist een beweging bij mijn telefoon vandáán maakte. Hoe verder ik fietste, en hoe dieper ik het bos inging, hoe meer van mijn ziel ik kon terugwinnen.

Ik zag die vrouw en dacht: hoe durf je, hoe kun je. Op deze plek in het bos, op een prachtig paard, onder deze lucht. Je geest vervuilen met al die ruis! Het paard maakte het erger; het was een symbool voor oudere, simpelere tijden. Had de vrouw niet op dat paard gezeten dan was ik minder verbolgen en verslagen geweest.

Andere mensen met een telefoon maken me altijd somber. Ze zijn symptomatisch. Het beeld zegt iets heel ergs over deze tijd, namelijk dat we de verkeerde kant opgaan en verloren zijn.

Van mezelf, echter, kan ik het altijd wel begrijpen. Als ik zelf met mijn telefoon bezig ben, bedoel ik. Het is dan gewoon zo dat ik even iets moet opzoeken of met iemand in contact ben.

Het komt voor dat ik in de trein zit en een boek lees terwijl ik daar eigenlijk al helemaal geen zin meer in heb. Als ik zie dat er verder niemand een boek leest, en iedereen een telefoon in de hand heeft, dan voelt het alsof ik, door te blijven lezen, de wereld van een afgrond red. Zou ik mijn boek wegstoppen (wat ik eigenlijk wil) en mijn telefoon erbij pakken (wat ik eigenlijk wil) dan is er niemand meer die nog een boek leest. Dan is alles verloren.

Ik zou wel willen weten hoe lang die paardenvrouw al op haar telefoon had zitten kijken toen ik haar tegenkwam, en ook hoe lang ze daarna nog op haar telefoon heeft gekeken. Zodat ik weet hoe ernstig het is, hoe erg het precies met de wereld gesteld is.

Het was in ieder geval geen noodgeval of noodzaak dat ze op haar telefoon keek, die vrouw. Dat zag ik aan haar houding: verveeld en lui en achteloos. Swipen zonder emotie.

Het paard sjokte voort en kon het allemaal geen reet schelen. Hij kakte op het pad. 

 


Je abonneren op deze stukjes is GRRRRATIS

 

ondertussen, cont’d

Het is weer even geleden dat ik een stukje schreef. God weet hoe dat komt. En misschien Hij niet eens. Misschien zegt Hij nu: ‘En waarom zou ik dat moeten weten? Houd mij erbuiten zeg. Ik heb wel betere dingen te doen.’ Waarop ik Hem zou zou willen zeggen: ‘Inderdaad!’

Dat we geleidelijk de quarantaine uitkomen—of eigen best vlot ineens—vind ik maar eng. Misschien schrijf ik daarom nu wat minder stukjes. Ik bedoel niet eng in de zin van vrees voor een nieuwe piek in het aantal besmettingen, maar in de zin van vrees voor de verandering in het oude vertrouwde, dat nu weer als iets nieuws voelt, en dus niet meer het oude vertrouwde is, want het oude vertrouwde, dat is inmiddels de quarantaine geworden. (Die zin is lelijk.) Ik was er net aan gewend en nu moet er ineens weer van alles. Zit ik ineens in de trein met zo’n duf mondkapje op.

Lazen jullie toevallig het interview met een medisch ethicus in de Volkskrant van afgelopen zaterdag? Heel interessant. Het beeld dat bleef hangen was van verplegend personeel dat applaudisseerde voor genezen Covid-patiënten die het ziekenhuis verlieten. Hij haalde dat aan als voorbeeld. En al die andere mensen die genezen het ziekenhuis verlieten dan? vroeg hij zich af. Na kanker, na een herseninfarct? Het zegt iets over ons, denk ik. Over ons anno nu, met dit gedoe.

Daarnaast leek het me misschien niet gepast om een stukje te schrijven in de nasleep van de moord op George Floyd, tijdens de protesten. Althans een stukje dat daar níét over ging. Ik ben naar geen enkel protest geweest en schaam me daarvoor. Er was er zelfs eentje hier in Eindhoven. Daar kwam ik pas te laat achter. Ik had mijn zoons er mee naartoe willen nemen. Het zou een goede les voor hen zijn geweest: dat je je soms moet uitspreken. Wat ik dus niet gedaan heb, uitspreken, of misschien nu alsnog doe, bij dezen. Ik heb geen idee of dit volstaat, of überhaupt wanneer iets volstaat. Hier schrijven dat mijn sympathie bij de betogers ligt—wat ook zo is—voelt wat makkelijk.

De meesterhorlogemaker heeft me inmiddels iets laten weten. De reparatie van mijn IWC gaat driehonderdvijftig euro kosten. Ik ben ermee akkoord gegaan. Dat was een week geleden en ik vermoed dat er nog wel enige tijd zal passeren voor ik weer iets van hem hoor. Ik zie hem eindeloos pielen met die kleine radertjes, daar tussen al die tikkende wandklokken, op de hoogte van moord noch protest, de uren gelijk aan de minuten en de minuten gelijk aan de dagen.

Het walnotenboompje is verhuisd naar mijn ex. Het groeit. De kraai die de walnoot in mijn tuin wierp heb ik niet meer gezien. Ik vrees het moment waarop hij erachter komt dat ik de boom heb weggedaan. Dat hij ineens voor mijn raam zal zitten met zijn zwarte oogjes vol wraakzucht.

Gisteren verscheen mijn thrillernovelle Kwaad bloed. Vanaf vandaag ligt het in de boekenwinkels. Vanaf 1 juli is het ook beschikbaar als luisterboek op Storytel. Het is een misselijkmakend verhaal over links versus rechts, bevoorrecht versus boos, angstig versus arrogant. Voor de mensen uit Brabant die mijn boekgeschenk Van Gogh sneed hier nooit een oor af al lazen: jullie hoeven deze nieuwe uitgave niet meer te kopen, want het is hetzelfde boekje.   

Ik vermoed dat mijn volgende stukje weer even op zich zal laten wachten. Sommigen van jullie stuurden me een mailtje: Sta ik nog wel op de lijst? Geen zorgen, je staat nog op de lijst. Ik heb gewoon even niet zo’n zin. Het liefst zat ik nu mijn eigen horloge te repareren.

 


Héél leuk als je je op deze stukjes wilt abonneren. Het is gratis en kan hier

 

zwembadman (dood)

Je weet nooit welke beelden blijven hangen. Zoals altijd las ik de zaterdagkrant verspreid over de hele week. Nu ik hem uit heb, vlak voor morgen de nieuwe wordt bezorgd, komt er een duidelijke winnaar bovendrijven: het beeld dat blijft hangen is van de dode man in het zwembad.

Ik zeg beeld, en dat is het ook, maar dan wel een beeld dat zich in mijn hoofd heeft gevormd na het lezen van een tekst. Er is geen sprake van een foto, bedoel ik.

Het desbetreffende artikel ging over—verrassing!—corona, en hoe we daar als maatschappij mee omgaan. De strekking was dat we niet meer gewend zijn aan tegenslag, rampspoed, de dood. Daardoor is iedere dode een abominatie, iets wat ergens tegenin druist, wat eigenlijk niet zou mogen. Al voor corona werd dit, geloof ik, de ‘risicosamenleving’ genoemd: een samenleving die ernaar streeft alle risico’s uit te bannen en verontwaardigd is wanneer dat weer eens onmogelijk blijkt te zijn.

Er werd in dit stuk nog een ander artikel aangehaald—ik geloof dat van een collega-redacteur—over een gemengd huwelijk waarin de (oorspronkelijk) Marokkaanse echtgenoot van deze redacteur heel anders met de huidige crisis omging dan zij. Hij was opgegroeid met tegenslagen, armoe, rampspoed, etc. Waarschijnlijk was in zijn geboortestreek ook de dood wat minder klinisch en werd die niet zo weggestopt. Hij onderging deze periode met berusting en acceptatie, terwijl zij meer in de kramp van verontwaardiging (dit moet niet kunnen) en ongeloof schoot.

Even tussendoor: ik heb beide artikelen hier niet bij de hand. Ik zeg dus maar wat.

Vervolgens voerde de schrijver van het stuk ter illustratie (en geïllustreerd werd het in mijn hoofd) een recent voorval op. In het zwembad in zijn woonplaats was een oude man overleden aan een hartstilstand. De badmeester ter plaatse had laconiek gereageerd en gezegd: ‘Oude mensen moeten nu eenmaal ergens aan doodgaan.’ De omstanders hadden dat als schokkend en harteloos ervaren. Er had zich een ramp voltrokken en dít was zijn reactie?

Maar ik vond het juist mooi, die reactie. Een gelaten houding hoeft geen desinteresse te zijn, geen bagatellisering van een mensenleven; het is slechts de reactie van iemand die er niet stellig van is overtuigd dat de dood geen bestaansrecht heeft. Verontwaardiging, in dezen, staat gelijk aan ontkenning.

Maar goed, nu heb ik dus dat beeld in mijn hoofd: zo’n warm zwembad, het artificiële blauw van het water, de chloorwalm en de blote lijven. De oude man op de witte tegels, dood, zijn mond een stukje open, zijn vingers nog gerimpeld en week van het water. De badmeester in zijn polo-shirtje en het fluitje bungelend aan zijn nek. Dan een brancard en de afscheidstocht naar de uitgang. Maar in mijn beeld is inmiddels niemand meer verontwaardigd of geschokt. Wanneer de brancard de zwemgasten passeert geven ze de dode man een erkentelijk hoofdknikje. Er wordt sereen gezwegen. Het was goed dat je er was, zeggen ze in gedachten. En tot ziens.

 


In godsnaam, doe jezelf een lol en neem een gratis abonnement op mijn stukjes.