burger king, o, burger king

Ik was in Amsterdam en had daar wat gedronken. De reis terug naar Eindhoven begon ik op station Amstel. Het was vroege avond, ik had nog niet gegeten, was een tikkeltje beneveld, en moe, en – hoe zal ik het zeggen? – belast met een gevoel van lijdzaamheid? Je weet wel: de zon zal exploderen en onze hele wereld vernietigen.

Ik had honger en liep langs de Burger King. De geur ervan kroop via mijn neus naar mijn ruggengraat en brak die met vele kleine handjes in stukken. ‘Burger King is de ergste van allemaal,’ zeg ik wel eens tegen mijn zoontjes. ‘Hoe die met hun dieren omgaan…’ Ze kijken me dan aan met grote ogen. ‘Hoe dan?’ vragen ze. ‘Wat doen ze dan met die dieren?’ Waarop ik alleen maar gelaten antwoord: ‘Heel erg, gewoon heel erg.’ Thuis eten we de meeste dagen vegetarisch.

Mijn voeten brachten me naar Burger King. Ikzelf was er ondertussen nog over aan het nadenken; een povere poging tot het tegen elkaar afzetten van voors en tegens. Toen stond ik in de rij. 

Alleen was er niet echt een rij. Onder het fletse licht stonden we in een soort uitgewaaierd groepje. Het meisje achter de kassa, wier riem haar buik verdeelde in twee identieke, bulkende helften, nam iemands bestelling op en zei: ‘Ik ga naar de wc.’ Waarop de jongen achter haar zich omdraaide en zei: ‘Nee, eerst de bestelling meegeven, pas dan naar de wc.’ Het meisje zuchtte en rolde met haar ogen.

Met de meeste andere wachtenden kon ik me niet echt identificeren: naast wat verveelde jeugd ook nog wat eigenaardige, vermoeide types waaruit iedere begeestering verdwenen leek te zijn. Aan de andere kant: misschien gold voor mij hetzelfde.

Naast me, echter, stond een meisje dat was als ik. Begin dertig, slimme ogen, fris. Daarmee wil ik niet zeggen dat ik begin dertig en fris ben, of slimme ogen heb, maar het was meer dat ik dacht dat ook zij hier stond met enige gêne en wringende principes.

Ze staarde recht voor zich uit. Dat begreep ik wel. Ik reflecteerde haar morele knieval. Ik gaf haar evengoed geen blijk van erkenning. Samen stonden we recht voor ons uit te staren.

‘Volgende,’ zei het meisje achter de kassa, net terug van de wc. Ik wist niet zeker of ik aan de beurt was en stapte naar voren. Tegelijk stapte ook het leuke meisje naar voren. We keken elkaar aan. Nu komt het, dacht ik. Nu zullen we elkaar erkennen, begrip voor elkaar tonen en glimlachen om het feit dat – Jezus! – zie ons hier nu toch staan bij die verschrikkelijke Burger King!

Maar ze glimlachte niet. Ze keek heel chagrijnig en zei: ‘Euh, volgens mij was ik aan de beurt hoor.’


Klik HIER voor info over een abonnement op deze stukjes of een eenmalige donatie. Mijn laatste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.

botsing

Na de skateboardles van mijn oudste reden mijn zoons en ik in de Prius naar huis. In de achterbak stond het skateboard, op de wieltjes, terwijl ik altijd zeg: leg dat board nou op z’n rug, zodat het niet rolt. Het rolde dus wel, heen en weer, tegen de binnenzijden van de auto: doenk, doenk. Mijn oudste, voorin, was net terloops tegen mijn jongste aan het zeggen hoe erg hij hem haatte, echt haatte, toen we van achteren werden aangereden.

We moesten rechtsaf, het was groen, maar ik remde vanwege de fietsers die rechtdoor gingen. De bestuurder achter ons reageerde niet snel genoeg.

‘Tering,’ zei m’n oudste. ‘Tering,’ zei m’n jongste hem na.

Een paar meter verderop parkeerde ik in de berm. Het regende zachtjes, ik zag op tegen het papierwerk, ik wilde naar huis. De Volkswagen Golf parkeerde achter me. Ik bereidde me voor op het ergste: iemand die niet snapte dat het zijn/ haar schuld was en zou gaan roepen dat ik te abrupt had geremd of iets dergelijks.

Een vrouw van begin dertig stapte uit. Ze bloosde en keek geschrokken. Ook wij stapten uit. Onze deuren gingen open, verschillende lege verpakkingen vielen naar buiten. Mijn jongens liepen vrolijk naar de achterkant van onze auto en keken ook verwachtingsvol naar de voorkant van de Golf. ‘Een deuk!’ riep mijn jongste blij toen hij de bumper van de Golf inspecteerde.

Op de achterkant van de Prius zaten witte schrammen of vlekken. Ik wreef erover met een natte vinger. Het meeste ervan ging weg. De vrouw zei dat het haar speet en wat nu en hoe nu verder. Mijn jongens keken naar mij. Ik keek naar de Prius: de gore bekleding, de deuken links en rechts, de ontbrekende wieldop. ‘Onze auto is toch al gaar,’ zei ik. ‘Ik hoef geen vergoeding of zo.’

Dat leek ze eerst niet te begrijpen. Wat wilde ik daarmee zeggen? Wat betekende dat voor het papierwerk? Ik zei: ‘Jij moet het maar gewoon met je eigen verzekering regelen, als je het goed vindt. Dan gaan wij naar huis.’ Mijn jongens vonden het al niet meer interessant en stapten in. 

‘Goed?’ vroeg ik. De vrouw keek van mijn auto naar de hare. ‘Ja, goed,’ zei ze.

We reden weg. In de achteruitkijkspiegel zag ik haar nog staan, bij haar auto, in de regen, met knipperende alarmlichten. Het skateboard rolde heen en weer: doenk, doenk.

‘Moeten we nu naar de garage?’ vroeg m’n jongste.

‘Nèh,’ antwoordde ik.

‘Ik heb honger,’ zei m’n oudste.


Je kunt een abonnement nemen op deze stukjes. Dan krijg je ook nog wat leuke extra’s. Klik hier. (Een eenmalige donatie kan ook.) Mijn laatste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.

barkie op zak

Mijn oudste zoon (10) en ik communiceren tegenwoordig soms via Instagram. Dat gebeurt op de dagen dat hij bij zijn moeder is. Vaak krijg ik alleen ‘Goeiemorgen papa!’ of ‘Halloo!!!’, met daarbij een emoji of honderd (veel hartjes). Mijn berichten beperken zich meestal tot ‘Lief zijn voor je moeder’ en ‘Hoezo ben jij nog wakker?!’

Gisteren kreeg ik weer een berichtje, maar ik herkende zijn profielfoto niet. Hij had ineens een lange staart met dreadlocks en een lichtgetinte huid. Ook leek hij een stuk ouder. ‘Wat zie je er vreemd uit!’ stuurde ik. Hij antwoordde: ‘Dat is mijn held! Anbu Gang!’ Ook bij zijn andere foto’s had hij de jongens van Anbu Gang staan, en dan in het bijzonder de zanger met de dreadlocks, die ook een spijkerbroek vol met gaten en scheuren droeg.

Mijn zoon luistert vaak hun hitje: Barkie op zak. (Voor de oudere lezers onder jullie: een barkie is honderd euro.) Het heeft een lekker refrein dat ik graag meezing, al weet weet ik nog steeds precies wat ze zeggen na ‘Ik heb een barkie op zak.’ Wel weet ik dat ze rappen: ‘Money op één, bitches op twee.’ Moest ik daar iets van zeggen? Snoop Dogg rapte het natuurlijk ook al, en misschien is er niks mis met prioriteiten stellen. Bij mij gaat werk ook voor vrouwen, geloof ik.

(Ik hoorde hem ook een keer naar de Eindhovense rapper Kempi luisteren. Ik zei: ‘Je moet wel weten dat die jongen een meisje heeft gedwongen om tegen haar zin seks met anderen te hebben, zodat hij er geld mee kon verdienen.’ Hij dacht daarover na en zei: ‘Dan kan zijn muziek toch nog wel cool zijn?’)

Onder de foto van Anbu Gang op zijn Instagram plaatste ik een opmerking: ‘Als die jongen een barkie op zak heeft, waarom koopt hij dan geen nieuwe spijkerbroek?’

Laatst hadden we een moeizame middag gehad. Hij bleef zijn broertje jennen en luisterde niet. Grote mond, dwingen, zeuren. Ik was te snel tegen hem uitgevallen; dingen aan mijn hoofd, stress, zorgen om werk, etc. ’s Avonds was hij weer bij zijn moeder. Ik zat op de bank en kreeg een berichtje: ‘Sorry van van middag.’ Een sippe emoji erbij. Ik stuurde: ‘Nee joh, viel wel mee. Ik werd ook te kwaad. Niet over piekeren.’ Hij antwoordde: ‘Nee maar het is wel gebeurt. Dus als nog sorry.’ Ik schreef: ‘Is niet erg. Kinderen zijn soms stout. Grote mensen zijn soms stom.’

Nadat we elkaar nog een paar reeksen emoji’s hadden gestuurd moest hij naar bed. Ik legde de telefoon naast me neer en keek tv. Mijn blik ging steeds weer naar de telefoon. Kijken of er een lichtje knipperde. Mijn zoon sliep al, maar misschien was er een vrouw die me nodig had. Mijn geld voor die dag had ik toch al verdiend.


Klik HIER als je interesse hebt in een abonnement met extra’s of het doen van een eenmalige bijdrage. Mijn laatste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.

ontwaakt

Vanochtend rond 11:30 werd er aangebeld. Snel trok ik m’n broek aan; ik lag sit-ups te doen en dat is niet fijn in een spijkerbroek. Ik deed de sit-ups uit frustratie: even eerder had ik een poging gedaan tot het schrijven van een stukje, maar dat was niet gelukt.

Er stonden twee oudere dames voor de deur. Ze hadden een boekje bij zich. Ontwaakt! stond er op de voorkant. En: Een ramp! Tips die levens kunnen redden. Ik vermoedde dat ze in de naam van Jezus waren gekomen en had direct spijt dat ik mijn broek had aangetrokken. 

‘Goedemorgen,’ begonnen ze. (Of in ieder geval één van de twee.) Ze waren heel vrolijk, en heel vrolijk vroegen ze me of ik wel was voorbereid op een ramp. Het kon zomaar gebeuren, zeiden ze: een aardbeving, een orkaan, een oorlog. In het boekje stonden handige tips. Ik realiseerde me dat ik inderdaad totaal niet was voorbereid op een ramp.

‘Dank u,’ zei ik, en nam het boekje in ontvangst. Even leken ze het daarbij te laten, maar toen vroegen ze (of in ieder geval één van de twee) of ze een keertje terug mochten komen, zodat ze me konden vragen of ik er iets aan had gehad. Ik zei dat ik dat niet wilde. Blijkbaar zei ik dat op een komische manier, want ze moesten allebei lachen, heel lief, waardoor ik direct betreurde dat ik nee had gezegd. Ook was ik blij dat ik mijn broek had aangetrokken.

De rest van de sit-ups stelde ik uit, zodat ik het boekje kon lezen. Er stonden handige tips in: maak een vluchtplan, leg een noodvoorraad aan, ga (met of zonder broek) onder een stevig meubelstuk zitten. Een volgende pagina ging over oorlog. Het was getiteld: Waarom voerden de Israëlieten in de oudheid oorlogen? Nou, omdat de volkeren waartegen ze streden door en door slecht waren en zich bezondigden aan bestialiteit (ik dacht aan m’n hagedis Oscar), incest (ik dacht aan m’n kinderen) en kinderoffers (ik dacht aan zeeën van vrije tijd). Op de laatste pagina ging het over de vorm van zeeschelpen. Er wordt veel onderzoek naar gedaan, omdat schelpen, relatief gezien, grote druk aankunnen. Handig, dus, om bijvoorbeeld schelpvormige huizen te bouwen. Een prachtig en slim ontwerp. Vandaar de vraag waarmee het verhaal eindigde: Wat denkt u? Is de vorm van schelpen door evolutie ontstaan? Of is die ontworpen?

Juist toen ik me onze lieve Heer voorstelde boven een tekentafel, druk in de weer met geodriehoek en passer, begon de sirenes te loeien. 12:00 op de eerste maandag van de maand. Dat hadden die twee vrouwen heel mooi uitgekiend. Ik wilde hen achterna rennen, zonder broek, en naar hen roepen: ‘Het is begonnen! Geef me een schelp!’


Interesse in een abonnement (met extra’s) op deze stukjes? Klik hier. Ook voor een eenmalige bijdrage. Mijn laatste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.

the north water

Voor het weekend nog snel een leestip. Vergeet het DWDD Boek van de Maand en koop The North Water van Ian McGuire. In het Nederlands verkrijgbaar als Het Noordwater. Gisteren vertelde ik iemand erover en toen zei ik: ‘Het is misschien wel een beetje een mannenboek.’ Dergelijk gender-denken is natuurlijk achterhaald (hup Hema), dus misschien moet ik dat terugnemen.

Niettemin zijn het voornamelijk mannen die het verhaal bevolken: de bemanning van een Engelse walvisvaarder in 1859. Natuurlijk denk je dan meteen aan Moby Dick, en dat is ook terecht. Het heeft diezelfde sfeer: ruwe kerels, vaten brandy, de stank van vis en zee, bloed en ingewanden. En een moord, in dit geval: op weg naar Antarctica wordt een jonge scheepsmaat verkracht en een paar dagen later, wanneer er een onderzoek is ingesteld, vermoord. De scheepsarts, Patrick Sumner, een man met een mank been, een opiumverslaving en een bezoedelde carrière, neemt het op zich om de dader te vinden; zijn manier om met het verleden in het reine te komen.

Het is fantastisch. Een detective, een thriller en een odyssee ineen. Het is alsof Cormac McCarthy, Herman Melville en Raymond Chandler samen een boek schreven. Iedere pagina is genieten: de stank van de dood, het gezicht van het kwaad, loutering, overleving, wetteloosheid en beestachtigheid. ‘A novel that takes us to the limits of flesh and blood. Utterly convincing and compelling, remorselessly vivid and insidiously witty,’ jubelde Martin Amis.

Gisteren liep ik door Haarlem. Ik at daar een broodje haring en een broodje paling, en toen dacht ik natuurlijk aan dat boek. Veel te netjes, dat kraampje. Veel te klinisch. En dan dat stomme, zachte, witte broodje. En het plein zelf, vol met terrasjes en mensen aan de latte macchiato. Het was ineens een façade, een flinterdun laagje vernis op de ware aard van de mens, gehandhaafd door wetten die zich valselijk hebben gehuld in de mantel van moraliteit. Haal het weg en je ziet iets heel anders.

Op weg naar het station liep ik langs het kanaal toen ik aan de oppervlakte een vis zag drijven. Een grote vis. Hij dreef op zijn zij en was al aan het rotten. Het was alsof er iets was onthuld. Iets wat er altijd is, een diepe waarheid die je niet mag of wil zien.

De hele stad was nep, maar die dode vis was echt.


Mocht je willen kun je HIER een abonnement op deze stukjes afsluiten of een eenmalige donatie doen. Mijn laatste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.