schnabbel & shiva

Ik had een schnabbel: een workshop storytelling voor een select groepje werknemers van een heel groot commercieel bedrijf. Mijn workshop was onderdeel van hun oriëntatieweek, met duurzaamheid als thema. De locatie die ze ervoor hadden afgehuurd was een spiritueel en ecologisch verantwoord centrum, maar dan hip en strak en Amsterdams, met goede koffie en een wand die compleet was bedekt met levende binnenplanten en mos. Ja, mos is ook een plant, whatever; blijf daar vooral aan hangen als je zo graag een betweter wilt zijn.

De werknemers, uit verschillende landen, casual gekleed, zaten gewoon op stoelen aan tafels. De meditatiekussens en matjes zag ik liggen opgeborgen in een kast met glazen deur; groen gedoe was leuk, maar er was een grens. Met pen en papier voor zich luisterden ze verward en onzeker naar mijn kijk op verhalen en de adviezen die ik ze gaf. ‘It’s alright to be confused,’ zei ik, en zette mijn bluf extra kracht bij: ‘The idea is to be confused.’ Daarna gaf ik ze hun schrijfopdracht.

Terwijl ze zaten te schrijven keek ik om me heen. Die wand met planten was schitterend. Hoeveel onderhoud zou zoiets vergen? En wat ik nu inademde, was dat nou gezondere lucht dan wanneer er géén wand met planten was geweest? Achter me stond een groot, massief, koperen beeld van Ganesha, de zoon van Shiva; Shiva was lang op reis geweest en wist helemaal niet dat hij een zoon had, en dus bij thuiskomst hakte hij het hoofd af van de vreemdeling in zijn huis, waarna hij zijn fout besefte en snel een olifantenhoofd op de romp van zijn zoon kwakte. Sindsdien was Ganesha – alsof dat na dit verhaal vanzelfsprekend is – een god die obstakels kon verwijderen.

Aan de andere kant van de zaal stond de vader, Shiva, woest en almachtig met al zijn armen in zijn bekende cirkel van vuur; de grote vernietiger, de god die aan dit hele gedoetje – tijd, ruimte, sterrenstelsels, het leven, smartphones, televisiepersoonlijkheden – rigoureus een einde zal maken, waarna Vishnu en Brahma de boel weer opbouwen en alles weer van voren af aan begint. Ik vroeg me af wanneer dat ging gebeuren. Binnenkort, vermoedde ik. En dan niet het Hindoestaanse binnenkort, want dat kan nog tienduizenden jaren duren. Nee, écht binnenkort.

Ze waren klaar, mijn leerlingen, mijn discipelen. Verwarde gezichten, onzekere blikken, schaamrood op wangen. Wie wilde er als eerste voorlezen? De immer schaamteloze Nederlanders, natuurlijk. Drie van hen had ik de vloer gegeven, en zei toen: ‘Thank you, and now someone not Dutch please.’ Een tijdje was er doodse stilte. Toen kwam er een Japanner naar voren. Hij stond daar heel statig en droeg in welhaast onverstaanbaar Engels zijn verhaal voor. Ik spitste mijn oren. Het was een puik stukje tekst. Ik gaf hem complimenten waarvoor hij me niet bedankte en waarbij hij me niet aankeek. Een klein hoofdknikje gaf hij, richting de vloer. Het was vanwege de Japanse bescheidenheid, vermoedde ik. Of omdat hij wist wat ik wist. Over binnenkort.


Een gratis of betaald abonnement op mijn stukjes? Regel dat hier

badboy

Als er iets over me wordt geschreven krijg ik een Google Alert: een mailtje van Google met daarin de link naar het desbetreffende artikel. Gisterenochtend kwam er eentje binnen. Het betrof een artikel van Het Financieele Dagblad dat ik niet kon lezen omdat je er abonnee voor moest zijn. Wel zag ik de kop: Het verhaal van je scheiding. Ook zag ik hoe ik werd geïntroduceerd, namelijk als ‘de badboy-schrijver Henk van Straten’. De badboy-schrijver zat een tijdje naar die zin te staren, katerig en labiel.

De badboy-schrijver las daarna in de krant over steeds gewelddadigere jeugdcriminaliteit en kon de scenario’s waarin zijn zoons na een nacht op stap in elkaar werden geslagen, werden neergestoken en werden vernederd al zien, en er was niets dat de badboy-schrijver eraan kon doen; de badboy-schrijver stond machteloos.

De badboy-schrijver las daarna iets over de opkomst van extreem rechts in Zweden. Hij vreesde de grote clash der beschavingen, de cultuuroorlog. Hij voorzag het einde van begrip, van compassie. Bloed en verdommenis, angstschreeuwen en handen die elkaar voorgoed los moeten laten. De badboy-schrijver verlangde naar een afgezonderd leven in een huis op het noordelijkste punt van een klein waddeneiland. 

Het was nu middag en zonnig, maar de badboy-schrijver ging liever de straat niet op. De badboy-schrijver kwam liever niet onder de mensen; hij keek hen liever niet aan, bang voor de confrontatie met vreemden, of zelfs vrienden.

Hij stond voor de spiegel. Een goed lichaam, maar voor hoelang nog? Het verval was al ingetreden, de cellen al licht bedorven, de spieren slapper en slapper. Misschien een kankergezwel, ergens daarbinnen, en zo niet dan kwam de zeis van magere Hein wel in een andere vorm. De badboy-schrijver dacht: ik moet naar de sportschool. Hij dacht: ik moet baantjes zwemmen. Hij dacht: ik moet goed eten. Hij dacht: ik heb geen controle, geen controle, geen controle.

Daar stond hij dan, de badboy-schrijver. Wat een badboy, zoals hij daar voor de spiegel stond en naar zichzelf fluisterde: badboy, badboy, what you gonna do, what you gonna do when they come for you?


Je abonneren op deze stukjes? Dat kan hier. Mijn laatste boek heet Berichten uit het tussenhuisje.

harari

De Bezige Bij stuurde me een boek toe (ze hopen dan dat je erover gaat twitteren of schrijven, wat ik dus nu doe; missie geslaagd). Een boek van Yuval Harari: 21 lessen voor de 21e eeuw. Het gaat over de problemen die we al hebben en die ons te wachten staan: het ontoereikende en onbevredigende liberalisme, de wankele democratie, de duizelingwekkend snelle veranderingen op het gebied van tech, biotech en met name artificiële intelligentie.

Het is bepaald geen boek voor wanneer je een pessimistische of angstige periode doormaakt, en laat ik nu net een pessimistische en angstige periode doormaken. Ik vermoed dat Harari ook hoop te bieden heeft, maar dat die hoop pas wat verderop in het boek staat, en ik weet niet of ik het tot zo ver zal redden. Misschien moet ik doorzetten, want als ik nu stop blijf ik achter met dystopisch onbehagen, en dat is voor niemand leuk, vooral niet voor mij, en misschien zelfs niet voor Harari, die ook maar gewoon zijn best heeft gedaan.

In de trein las ik een passage die me bijzonder fascineerde (en vanzelfsprekend beangstigde). Harari legde uit dat machines met artificiële intelligentie in principe hun eigen economie draaiende zouden kunnen houden, zonder menselijke afnemers. Ik dacht daaraan terwijl ik keek naar een dikke wesp die aldoor tegen de binnenkant van het raam botste, tegengehouden door een krachtveld dat hij niet kon zien of begrijpen. Aan de andere kant van het raam: weilanden, sloten, koeien, de lucht. Die machines, waar werkten die eigenlijk voor? Wat gingen ze kopen met hun winst? En waarom hadden we ze eigenlijk gebouwd?

Achter me zaten twee slimme studenten. Ze maakten grapjes die hun nerd-zijn verraadden; van die heel slimme grapjes die zonder het slimme element niet zo héél grappig zijn. Ik ving een stukje gesprek op over Fortnite, de online game die momenteel wordt gespeeld door jeugd over de hele wereld. ‘Als ik kinderen had zou ik die er heel ver bij vandaan houden,’ zei één van de twee. Meteen was ik bang, of nog banger; mijn zoons spelen het ook. ‘Ik speelde dat spel vroeger met stokken in het bos,’ zei de ander lachend. Nóg banger: mijn zoons spelen nooit in het bos.

De wesp bleef tegen het raam bonken. Niemand lette erop. Ik kon er niet bij, maar anders had ik hem doodgeslagen. Zijn onbegrip – het feit dat hij niet snapte dat het glas hem tegenhield – maakte me woedend.

Op het station rekende ik wat te eten af bij de AH. Ik scande mijn producten bij de onbemande kassa. Er was ook een kassa met een mens erachter, maar daar stond niemand; de onbemande kassa’s zijn veel sneller. Zo gebeurt het; zo lopen we in de val.


Leuk stukje? Overweeg eens een abonnement. Ik schreef ook boeken, zie daarvoor de pagina met info.  

oude huis

We reden naar het station van Eindhoven, waar ik mijn vriendin zou afzetten. Achterin zaten mijn twee zoontjes. Vanwege de spits nam ik een andere route en zodoende kwamen we in de buurt van het huis waarin ik opgroeide. ‘Hebben jullie dat eigenlijk ooit gezien?’ vroeg ik. De vraag was voornamelijk gericht aan mijn zoons, maar ondertussen besefte ik dat ik hem evengoed aan mijn vriendin stelde; ik ken haar nog geen jaar. Hun gezamenlijke antwoord was nee.

Eerst reed ik een stukje over de boomrijke laan, die al meteen mijn maag weeïg maakte en mijn hart zwaar, en toen sloeg ik mijn oude straat in. Het huis stond halverwege de straat, en iedere meter van de straathoek tot daar was een meter dieper de put van de melancholie in. (Ik kan niet eens een fotoalbum openslaan zonder te bezwijken aan weemoed.) Mijn stem, echter, was opgewekt, zodat het voor mijn zoontjes gewoon een leuke bezichtiging zou zijn, al hoopte ik wel dat het ze zou fascineren, dat ze zouden proberen om zich voor te stellen hoe ik daar woonde.

Een vrouw stond bij een auto op de oprit naast het huis. Ik remde af en opende onze raampjes, zodat ik kon aanwijzen: boven de voordeur sliep mijn moeder, daar was de grote slaapkamer die ik deelde met broers in verschillende samenstellingen, daar op zolder was mijn kamertje toen ik een puber was. Nog steeds deed ik mijn best om klein te houden wat groot was. Mijn zoontjes tuinden erin, maar niet mijn vriendin; ze legde een hand op mijn knie en kneep.

De vrouw merkte ons op en liep naar ons toe. Het was nu haar huis. ‘Ik woonde hier vroeger,’ vertelde ik, waarop ze zei dat ze dat wist, en dat ze wist wie ik was. ‘De beroemde schrijver toch?’ vroeg ze. ‘Hangt er vanaf wie je het vraagt,’ antwoordde ik, gegeneerd vanwege dat misplaatste ‘beroemde’. Ik wist niet wat ik moest zeggen. Ik wilde niet dat het gesprek deze wending nam, wees naar de ramen en legde uit waar wie sliep en waar ik speelde. Of mijn jongens luisterde wist ik niet, noch kon ik de blik in hun ogen zien; de vrouw eiste mijn aandacht op. ‘De zolder is nu één ruimte,’ zei ze. Ik dacht aan dat zolderkamertje, aan de psychotische episode die ik er uitzat na een overdosis speed – op mijn zestiende, alleen en ongezien – en ik knikte vriendelijk naar haar. ‘Wel nog dezelfde appelboom.’ Ze volgde mijn blik en knikte trots. ‘Ja, en hij geeft nog steeds veel appels.’

Haar man was er nu ook. Hij stond bij de auto en riep; hij wilde vertrekken. Mij bekeek hij met argwaan. ‘Deze man woonde hier,’ zei ze, waarop hij antwoordde: ‘Oké, maar doe dit dan een andere keer.’

Mijn auto stond in de weg; ze konden er niet door; ik moest verder rijden, de straat uit. Het voelde niet goed; ik had nog iets willen vertellen, al wist ik niet precies wat.


Het hierboven beschreven huis heeft ook een rol in mijn boek Wij zeggen hier niet halfbroer. Abonneer je HIER op mijn stukjes.

striem

‘Aankleden nu,’ riep ik, vanochtend, naakt, me afdrogend in het halletje te midden van de badkamer en de slaapkamers van mijn twee zoons. Ik riep het naar mijn jongste, wiens deur ik voor het douchen al had opengedaan, en voegde eraan toe: ‘Jouw beurt om de tafel te dekken.’

Vanonder zijn laken antwoordde hij: ‘Nee.’

De ochtenden zijn altijd een crime. Hij weet hoe irritant ik het vind als hij zo doet, dus liep ik bij hem naar binnen en rukte het laken van hem af.

‘Au!’ schreeuwde hij. Hij greep naar zijn hals en huilde boos. Het irriteerde me, weer dit gedoe in de ochtend. Ik had mijn onderbroek nog niet eens aan. Ik ergerde me aan zijn tranen; degene die boos moest zijn was ik en zeker niet hij.

Bij nadere inspectie bleek hij flinke rode striemen in zijn hals te hebben. Misschien zelfs lichte brandwonden. Hij had zichzelf strak in zijn laken gerold en toen ik het van hem afrukte had het blijkbaar als prikkeldraad langs zijn hals geschuurd. ‘Ik ben een beetje misselijk,’ zei hij, op de rand van zijn bed, zijn hand in zijn nek.

Ik troostte hem en zei dat het natuurlijk niet mijn bedoeling was geweest om hem pijn te doen; ik had gewoon zijn laken willen wegtrekken. Ik zou de tafel wel dekken, zei ik. Toch voelde ik ook frustratie: iedere ochtend weer gedoe, altijd door hem, of door hen, ook deze ochtend weer, en nu was ik weer de slechterik, nu had ík het gedaan en was híj zielig.

Terwijl ik de tafel dekte, en zijn oudere broer boven stond te douchen, zat hij op de bank te jammeren met een icepack tegen zijn hals. ‘Ik ben nog steeds misselijk,’ zei hij. De rode striem was nu duidelijker, alsof hij in een strop had gehangen, of iemand hem had proberen te wurgen. ‘Je moet dit wel even uitleggen aan de meester,’ zei ik. ‘Hoe het gebeurde, dat ik het niet expres deed, dat het kwam door het laken.’ Hij knikte boos. Ik stelde me voor dat ik de meester was. Zulke striemen in je nek omdat iemand je laken heeft weggetrokken? En juist het feit dat een kind uit zichzelf met zo’n onwaarschijnlijk verhaal kwam rook naar onraad. Google ‘Kinderbescherming’.

Voor de zekerheid benadrukte ik: ‘Het was een ongelukje, dat weet je hè?’ Hij knikte, nog altijd boos en met wraakzuchtige oogjes, wat me nog banger maakte voor hetgeen zich in de klas zou voltrekken. Misschien moest ik mee naar binnen gaan en het zelf uitleggen? Nee, dat was nóg verdachter.

Aan het ontbijt at hij traag zijn boterham, nog steeds met zijn icepack en boze blik. ‘Wat als het nooit meer overgaat?’ zei hij.

‘Alles gaat over,’ antwoordde ik, waarop hij me boos zijn rug toekeerde en een lange, sputterende scheet liet.


Je kunt je HIER op deze stukjes abonneren, zowel betaald (met extra’s) als gratis. Mijn laatste boek heet Berichten uit het tussenhuisje.