winter

Ik merk dat ik me nog steeds op de winter voorbereid. Uit de teringzooi die mijn jongens van ons halletje maken pluk ik keer op keer de handschoenen, om die vervolgens een beter plekje te geven. Hetzelfde geldt voor de sjaals. Want ik weet hoe dat gaat: straks is het koud en zijn we alles kwijt.

Mijn jongste, die naar eigen zeggen ‘warmbloedig’ is (in tegenstelling tot bijvoorbeeld onze hagedis Oscar), slaapt iedere nacht in niets dan een onderbroek. Zijn pyjama heb ik klaarliggen. En iedere avond, als ik hem naar bed breng, dan stelt me dat gerust. De pyjama ligt klaar; als het echt winter wordt dan ben ik voorbereid. Dan eis ik dat hij hem aantrekt.

Dit voorbereiden op de komende winter duurt maar en duurt maar. Ondertussen beginnen de eerste planten in mijn achtertuin al kleine groene flosjes te vertonen. Ik ben al een paar keer zonder jas naar buiten gegaan. Maar onbewust ben ik dus nog in afwachting van de winter.

Voor het eerst in mijn leven is het alsof iemand een compleet seizoen uit het kwartet heeft getrokken. Het zou een verhaaltje van Toon Tellegen kunnen zijn: die keer dat de winter zoek was en alle dieren hem gingen zoeken.

In de dierenwinkel, waar ik sprinkhanen voor Oscar kwam kopen, stond ik achter een vrouw die iets voor haar hond afrekende. Ze was heel lang, die vrouw. Een kop groter dan ik. Ze droeg een jas met capuchon waarin ze helemaal verdween. Ik kon haar gezicht niet zien. Ze sprak met de winkelier over haar hond, en een chip, en hormonen, en gedoe. ‘En nu schiet hij natuurlijk ook al veel eerder in de rui,’ zei ze tegen de winkelier. Waarop de winkelier zei: ‘Ja, nu met die kortere winters en zo.’

Het voelt nog nieuw, dit fluctuerende klimaat, maar blijkbaar is het al gewoon genoeg geworden voor laconieke praatjes in de dierenwinkel.

Toch blijf ik uit de puinhoop van jassen en tassen de handschoenen vissen en laat ik de pyjama liggen waar hij ligt, al is mijn jongste er inmiddels misschien al te groot voor.


Klik hier voor meer info en de mogelijkheid tot het nemen van een abonnement.

hond/ ezel

Momenteel werk ik aan een boekje. Ik werk natuurlijk altijd wel aan een boek, maar nu werk ik aan een boekjuh. In opdracht. Mag ik verder nog niks over zeggen. Hoe dan ook, van zaterdag tot woensdag heb ik in een huisje in Vorden zitten werken. 

Het was een huisje naast een woonhuis. De vrouw des huizes haalde me op van het station(netje). Er was een hond die mij niet moest. Zo’n hond die graag de baas speelt over schapen. Ja, tegen schapen durfde hij wel. Hij blafte naar me en had z’n staart tussen z’n benen. De vrouw zei: ‘Het komt door je grote rugzak.’ En het is waar: mijn rugzak is heel groot. Maar nadat ik de rugzak af had gedaan moest de hond me nog steeds niet. De vrouw had daar geen verklaring voor.

‘Wil je even mee naar binnen om mijn man te ontmoeten,’ vroeg ze. Of dat droeg ze op. Dus dat deed ik. ‘Ik zei toch dat hij het was,’ zei ze tegen haar man, toen we binnenkwamen. ‘Ja, ik zie het nu ook,’ zei de man. 

Mijn huisje was klein en knus. De vrouw legde alles uit. Het bed stond in de kamer. Het bureau was prima. Ik leefde als een monnik. Vroeg naar bed, geen druppel alcohol, iedere ochtend een reeks voedingssupplementen. In die paar dagen typte ik 10.000 woorden.

’s Nachts viel het licht van de maan binnen en hoorde ik af en toe een uil, en ook af en toe een ezel. Het klonk nieuw en vreemd, het geluid van die ezel. Ik vroeg me af of ik het eigenlijk al wel eens eerder had gehoord. Ik bedoel het échte geluid, en dus niet het geluid dat is opgeslagen op mijn culturele harde schijf. (Tekenfilms, mensen die een ezel nadoen, etc.) Wat me opviel is dat het ‘hi’-geluid in ‘hi-huuhh, hi-huhhh’, niet opzettelijk is. Het ‘hi’ is het inademen, zodat de ezel kracht kan zetten voor het ‘huhhh!’ In feite is een ezel heel slecht in het maken van zijn eigen geluid. Geen idee hoe lang geleden de ezel zijn huidige vorm kreeg, evolutionair gezien, maar dat hij nu nog steeds zijn eigen geluid niet onder de knie heeft, dat zegt wel wat.

De laatste dag kreeg ik van de vrouw des huizes een appje. Of ik die avond bij haar en haar man wilde eten. Ik besloot toen om die middag al naar huis te gaan. Dat was ik al een beetje van plan, maar nu wist ik het zeker.

Toen ik het terrein verliet was de hond mijn beste vriend.

Nee, dat is niet waar. De hond blafte en gromde me na tot ik uit het zicht was.


Hier meer info over boeken en abonnementen.

octopus

Sinds een week of twee lees ik een boek over de octopus. Ook toen er een klein beetje ophef was vanwege een lezing die ik gaf voor klassen van een middelbare school in Katwijk – en vooral vanwege de brief die de school vervolgens naar de ouders stuurde, waarin ze hun excuses aanboden voor mijn bezoek – las ik over de octopus. Ik heb gemerkt dat als je te midden van dergelijke commotie aan de octopus denkt, je een stuk beter gedijt.

De octopus stelt me gerust, al weet ik niet precies waarom.

Als ik mijn hagedis Oscar in zijn ogen staar heb ik het idee dat ik terug in de tijd kijk. Alsof ik een dinosaurus aankijk. We lijken zo verschillend, hij en ik, en toch lijkt zijn brein véél meer op het mijne dan het brein van een octopus. Waar de gemeenschappelijk voorouder van dino’s en mensen slechts 300 miljoen jaar geleden leefde, leefde de gemeenschappelijke voorouder van de mens en de octopus zo’n 600 miljoen jaar geleden: een rudimentair, wormachtig zwembeest zonder ogen (hooguit lichtsensoren). Op dat moment scheidden zich onze evolutionaire wegen. De octopus ontwikkelde een compleet eigen brein, eigen intelligentie, eigen bewustzijn.

Leuk weetje: een octopus heeft drie harten en zijn brein bevindt zich evengoed in zijn armen als in zijn kop. Zijn armen kunnen autonome beslissingen nemen. Hij heeft geen botten, ook geen kraakbeen, en hij is dus vormloos; hij heeft de vorm die hij besluit aan te nemen. Hij kan van kleur veranderen, inktwolken maken en zich razendsnel voortbewegen doormiddel van straalaandrijving, zoals een jetski.

Octopussen in laboratoria weten dat ze in een bak zitten, dat de mensen zich búíten de bak bevinden. Er zijn anekdotes van wetenschappers waarin een octopus een straal water op hen schiet zodra ze even niet opletten, van octopussen die ’s nachts uit hun bak kruipen om in een aquarium ernaast vis te eten én dan weer terug te kruipen. Op Youtube staat een filmpje van een octopus die zich zonder verzet laat opsluiten in een pot met draaideksel, om vervolgens van binnenuit die deksel open te draaien.

Peter Godfrey-Smith, de schrijver van Other Minds, het boek dat ik lees, concludeert dat je als mens niet dichter bij de ervaring van contact met een buitenaards wezen kunt komen dan wanneer je met een octopus te maken hebt.

Uiteraard heb ik al uitgezocht of je een octopus in huis kunt hebben. (Sorry, Oscar.) Het kán, maar nu komt de teleurstelling: een octopus wordt maar één tot twee jaar oud. Toen ik dat las zonk mijn (enige) hart me in de schoenen. Na 600 miljoen jaar evolutie ben je een prachtig, slim, ondeugend wezen geworden, en dan heb je maar een jaar om daarvan te genieten? Dat is gewoon niet juist.

Nou ja, goed, wat ik alleen maar wil zeggen: als het je even te veel wordt, denk dan aan de octopus. Je zal merken dat het helpt.


Info over mijn boeken en een abonnement op deze stukjes vind je HIER.

mini-bieb

‘Ik ben op zoek naar de opening van de mini-bieb,’ vroeg ik aan de vrouw achter het informatieloket op Eindhoven CS. Ik was jarig, negendertig geworden, en droeg het mooie jasje dat ik mezelf cadeau had gedaan (Van Gils, 50% korting bij de Bijenkorf). De vrouw zei: ‘Ik heb een pasje, ik doe de deur even voor je open.’

Het verbaasde me dat het feestelijke gebeuren plaatsvond achter gesloten deuren. Ik wist eerlijk gezegd niet precies wat de bedoeling was; ik had de mails niet goed gelezen; ik wist alleen dat ik een stukje moest voordragen dat zich afspeelde in de trein. Ik verdiende er niet veel mee, maar ik dacht: het is vlakbij en ik moet toch m’n pa ophalen, want die kwam uit Rotterdam om een lunch voor me te betalen.

Na het bestijgen van twee trappen stond ik in de personeelskantine. Conducteurs en mensen in kantoorkleding zaten aan een tafeltje koffie te drinken of boterhammen te eten. Een man stelde zich aan me voor, een gezellig-autoritaire chef van middelbare leeftijd genaamd Max. Daarna werd ik voorgesteld aan Loes, een gezellig-gezellige meid van mijn leeftijd, gekleed in conducteurskledij. Ze had thuis al m’n boeken en had me vroeger zelfs nog met mijn punkbandje zien optreden. De mini-bieb was het idee van Loes.

Max liet me hem zien, de mini-bieb. Het hing achter een muur, naast een gangetje, in een soort nis waarin ook de printers stonden. Een houten kastje, tegen de muur gespijkerd, met aan weerszijden een treindeur gemaakt van karton of spaanplaat. Twee planken, voornamelijk thrillers, maar ook een paar fantasyboeken en de biografie van Steve Jobs. ‘Hij hangt niet echt in het zicht hè?’ zei ik, waarop Max antwoordde: ‘Nee, maar iedereen loopt hierlangs.’

Voor de gelegenheid hadden ze boekenleggers laten printen met daarop de tekst: ‘Lezen doen wij samen.’ Ik kreeg er eentje aangereikt en zei: ‘Een boekenlegger, daar zoek ik al tijden naar! Het is onmogelijk om een goede boekenlegger te vinden, ik heb echt overal gekeken.’ De vrouw die me het kartonnetje had gegeven knikte instemmend: ‘Het was nog een heel gedoe om te maken.’

Toen het officiële gedeelte. Met een man of vijftien stonden we in het gangetje terwijl Max een lange, met lollige grapjes doorspekte toespraak hield. Loes kreeg bloemen en een speldje. Vervolgens vertelde Loes over de totstandkoming van de mini-bieb en gaf zij, op haar beurt, een cadeau aan Max, en wel een boek van Baantjer waarin één van de personages de voor- en achternaam van Max had gekregen. Je kunt dat laten maken, tegenwoordig.

Toen mijn beurt. Ik plaatste een exemplaar van mijn debuut in de mini-bieb en droeg een stukje voor, waarna ik aankondigde dat ook ik in mijn volgende boek het hoofdpersonage de voor- en achternaam van Max zou geven.

Daarna was het tijd voor taart, maar ik moest gaan; mijn vader kon ieder moment arriveren. Toen ik de trappen afliep had ik spijt van al mijn grappen en proefde ik het zure cynisme nog op mijn tong.

Loes, als je dit leest: het is écht een leuk idee, zo’n mini-bieb.


Zie HIER meer info mbt het één en ander. 

starbucks, revisited

Het was bij de Dela dat mijn vriend T en ik bij de Starbucks zaten. Dela heeft een groot gebouw, hier in Eindhoven, en in plaats van een eigen koffiekantine hebben ze een Starbucks. Dat is nu blijkbaar een ding.

Mijn vriend T wilde er koffie drinken omdat het er zo lekker rustig is; een plek ín maar toch ook búíten de stad. Mijn vriend T houdt van dit soort plekken omdat ze hem daar meestal niet om een selfie vragen.

T klaagde over het één of ander, al sliep hij de laatste tijd juist goed, zei hij, wat dan wel weer fijn was, maar ik bleef hangen bij het fenomeen van de Starbucks in de Dela. Ik heb dat vaak: de neiging om een punt te maken van wat feitelijk misschien een trivialiteit is.

Er was geen service aan tafel; we moesten bij de kassa bestellen. ‘Laat mij maar,’ zei ik snel.

Ik bestelde onze koffie’s en trommelde tijdens het wachten met mijn vingers op de toonbank. ‘Hoe zit dit eigenlijk,’ zei ik. ‘Hebben jullie je gewoon gevestigd in de Dela? Kan dat gewoon?’ Ik ging ervan uit dat Starbucks zich hier naar binnen had gewerkt, en dat ze dus voortaan echt overál zaten, als een kapitalistisch virus. Mijn oudste zoon gaat volgend jaar naar de middelbare school; in gedachten zag ik hem in de schoolkantine een Caramel Frappuccino bestellen. Daarna zag ik voor me hoe ik ’s ochtends de trap afliep en gapend een Flat White bestelde bij de Starbucks in mijn woonkamer.

Maar nee. Het meisje wist me te vertellen dat Dela zélf om deze Starbucks had gevraagd. ‘Aha,’ zei ik. ‘Jullie hebben de vijand dus zelf binnengehaald, als een paard van Troje.’ Ze keek haar collega aan: wat moet ik met deze man?

Ik wilde weten: ‘Betalen jullie hén of zij júllie?’ Dat wist ze niet precies. Wel wees ze op het logo waar heel groot bovenstond: We Proudly Serve. ‘Daaraan kun je zien dat het geen echte Starbucks is,’ legde ze uit. Dus: ze servéren alleen maar Starbucks, ze zíjn het niet. ‘We hebben ook een beperkt assortiment. En we mogen geen groen schort aan.’

‘Jeetje,’ zei ik, hoofdschuddend, want ik vond het allemaal maar heftig. Met de twee koffie’s liep ik terug naar T en vertelde hem alles. Zijn interesse was matig, maar gelukkig sloeg hij aan op het groene schort. Verontwaardigd zoals alleen hij verontwaardigd kan zijn: ‘Dat je ergens werkt waar je zo’n groen schort aan móét, dat is al kut, maar als je dan zo’n groen schort, dat je al niet wil dragen, niet mág dragen? Dat zou ik niet pikken.’

Daarna klaagden we om beurten verder, en dronken we van onze (We Proudly Serve) Starbucks koffie die – in tegenstelling tot wat droeftoeterige koffie-nerds altijd beweren – gewoon hartstikke lekker is. 


Zie HIER welke boeken ik schreef en hoe je je kunt abonneren op deze stukjes.