twee merels

Ik had gisteren twee merels in huis.

Wacht even. Nu heb ik die oude meesterhorlogemaker weer in m’n hoofd. Ik stel me voor dat hij gisteren mijn Instagram-pagina bekeek en die merels zag. Ik plaatste er namelijk foto’s van. En dat hij hoofdschuddend dacht: Let op, hier gaat hij óók weer een stukje over schrijven. Deze gedachte slaat nergens op: in relatie tot de meesterhorlogemaker is Instagram natuurlijk een enorme stijlbreuk. Zoals ik hem heb omschreven, en deels heb bedacht, kan hij onmogelijk Instagram hebben. Tóch hoor ik hem neerbuigend over me mompelen, in zichzelf, terwijl hij ernaar kijkt. Ik kom niet meer van hem af.

Hoe dan ook. Ik ging de tuin sproeien. De merels, een zwarte en een bruine, hopten tussen mijn planten vandaan en hopten richting mijn tuindeur. Ik zei nog: ‘Nee, niet doen,’ maar ze hopten al naar binnen, de keuken in. Ik dacht: Ik geef ze even de tijd, dan hoppen ze misschien weer naar buiten. Maar toen het te lang duurde ging ik toch maar even kijken. Mijn binnenkomst vonden ze eng, dus ze hopten nog verder naar achteren, de krappe bijkeuken in. Daar vlogen ze omhoog en namen ze plaats op een metalen verwarmingsbuis vlak onder het plafond. De bruine was een jonkie, denk ik. Of in ieder geval een adolescent. Hij was wat donziger en onhandiger en hij kakte ook direct op mijn muur. (Ja, ik weet dat ook de vrouwtjes bruin zijn.)

Ik stond in de bijkeuken en zei: ‘Ga dan.’ En: ‘Die kant moet je op.’ Ze keken naar me met oogjes waar ik meer nieuwsgierigheid dan angst in zag, al moet vooral die kleinere toch echt bang zijn geweest, aangezien hij een tweede en toen ook nog een derde keer op mijn muur kakte.

De zwarte ging fladder-fladder en was buiten. Maar die donzige schijterd, die wilde niet. Voorzichtig probeerde ik hem te pakken. Hij fladderde op, vloog de verkeerde kant op en landde op de vensterbank van het kleine hoge raampje. Ik probeerde het nog eens, nu met meer vastberadenheid. Hij fladderde; ik voelde de fragiele veren en dunne botjes onder mijn handen. Voorzichtig omsloot ik hem. Met zijn pootjes greep hij mijn vinger vast. Dat vond ik fijn, dat hij dat deed. Ik dacht: Ja, pak me maar vast, ik breng je naar buiten. Het voelde als vertrouwen, of als overgave. En ik dacht: Ja, het is goed, je kúnt me ook vertrouwen.

Toen ik dit even later dus op Instagram deelde, onder walgend oog van de meesterhorlogemaker, kreeg ik een berichtje van Ali, een Marokkaanse Nederlander die ik ken van heel vroeger. Als er vogels je huis binnenvliegen, zei hij, betekent dat in zijn cultuur dat je een engel bent, of op z’n minst een goed mens. Dat berichtje had ik het liefst doorgestuurd naar de meesterhorlogemaker.

De merels wonen nog steeds in mijn tuin. Ze lijken niet heel erg geschrokken. Ze hoppen tussen de planten, op zoek naar insecten. Ik hoor ze ritselen. Ik koester het gevoel van die pootjes die mijn vinger vastgrepen. 

 


Als je je wilt abonneren op deze stukjes zou ik dat heel leuk vinden. Het is grrrratis.

meesterhorlogemaker, cont’d

De oude meesterhorlogemaker aan wie ik ter reparatie mijn vintage IWC horloge gaf (zie eerder stukje) is er nog altijd niet mee klaar. Sterker nog: hij heeft me nog niet eens gebeld om te laten weten wat het gaat kosten en te vragen of ik daarmee akkoord ga. Enkele weken geleden mailde ik hem om ernaar te informeren: had hij misschien al tijd gehad om naar mijn horloge te kijken? Ik kreeg een mail terug: hij was er nog niet aan toegekomen en zou het me laten weten. Geen verontschuldiging, geen uitleg.

Sindsdien durf ik hem niet nog eens te mailen of bellen. Het was de toon van die laatste mail. Ik dacht irritatie te bemerken. Misschien zelfs wel meer dan dat. Antipathie. Ik was iemand met te veel haast, een proponent van een maatschappij die geen geduld meer had en geen respect voor het verstrijken en rijpen van de tijd. Wij willen altijd maar meer en het moet altijd maar sneller. Zie wat daar nu van gekomen was: het dodelijke virus was nog niet aan die gore vleermuis in Wuhan ontsnapt of wij hadden het al met onze decadente reislust kriskras over de hele wereld verspreid.

Maar de aard van zijn afkeer was en is nog persoonlijker. Dat voel ik aan de radiostilte die er nu tussen ons heerst. Hij walgt van me, deze meesterhorlogemaker uit Asten, zwijgend in zijn kleine werkplaats tussen zijn tientallen tikkende en klingelende wandklokken. Hij walgt van me omdat ik overal woorden aan vuil moet maken, overal over moet schrijven, overal erkenning voor wil hebben, alles moet delen. God, meneer begint met koud douchen en de hele wereld moet het weten. Meneer koopt een spijkermatje. Meneer heeft (had) een walnotenboompje in zijn tuin. Wat maakt hem dat toch bijzonder. Iedereen moet ervan horen. Er mag geen dag voorbijgaan dat de mensen niet over de trivialiteiten van zijn bestaan lezen.

De meesterhorlogemaker walgt van die dingen omdat hij weet hoe hij stil moet zijn. Hij is een zenmeester. Iedere tik van iedere wandklok in zijn werkruimte bevestigt en bestendigt het bestaan, en dat is genoeg. Met fijne instrumenten plukt hij aan radertjes en springveertjes. Hij doet dat omdat hij dat doet. Dat dit bestaat, dat hij hier is, is erkenning genoeg. Alles wat hij daaraan zou kunnen toevoegen is extra en overbodig. Ieder woord waarmee hij zichzelf zou kunnen beschrijven is onzinnig en onnodig. Hengelen naar bevestiging is corruptie. Ieder geluid, iedere stemverheffing, een dissonant. 

Voor de meesterhorlogemaker ben ik een stoorzender op een radio zonder uitknop.

Maar inmiddels zijn er nog meer weken voorbij gegaan. Ik mis mijn horloge. Het is een mooi horloge, een echte IWC, en ik had hem nog niet zo lang. Maar als ik mezelf dan weer door de ogen van de meesterhorlogemaker zie, dan voelt het missen als aanstellerij, en verman ik me. Zijn telefoontje komt wanneer het komt.

Tenzij hij ondertussen gestorven is. Mijn horloge nog in de hand, zijn vuist er vol verachting omheen geklemd.

 


Neem gerust een gratis abonnement op deze stukjes. Klik hier.

ondertussen cont’d

Vandaag fietste ik op mijn nieuwe fiets drieëntwintig kilometer in vijftig minuten tijd. Of nou ja, ik was om tien voor elf weer thuis, en volgens mij vertrok ik rond tienen. Mijn benen voelen papperig; ze hebben moeite met de trap naar boven; ik drink zometeen nog maar een proteïneshake. Onderweg, in de bossen rondom Geldrop, zag ik een vrouw lopen met een mondkapje op. Ze liep alleen en er was niemand in de buurt. Er was alleen maar frisse lucht, vers van de bomen. Haar argwaan omvatte het hele bos; geen blaadje was nog te vertrouwen. Zelf slokte ik zo veel van die lucht op als ik kon, vanwege de zuiverende werking in een troebele geest, maar ook in de hoop dat de extra zuurstof de steken in mijn zij zou verhelpen.

Naast het fietsen ben ik begonnen met koud douchen. Dat het zo’n beetje overal goed voor is, en alles kan genezen, geloof ik niet zo, maar de psychologie erachter spreekt me wel aan: de schrik negeren, kalm blijven, beseffen dat je er tegen kunt, langzaam het gevoel accepteren, het gevoel gaan zien als precies dat: slechts een gevoel, gevolgd door de trots dat het je lukte, en dan de verfrissing, de tinteling van je huid. Het behoort tot de categorie goed.

En dat kan ik altijd wel gebruiken, me goed voelen over mezelf, me sterk genoeg voelen om staande te blijven. Daarom zoek ik altijd naar nieuwe handvatten: een spijkermatje, een assortiment aan supplementen, een ayahuasca-ceremonie, nieuwe medicatie, etc. Daarom hou ik ook zo van deadliften, waarbij je een stang met gewichten van de vloer tilt, omdat ik dan heel even het gevoel heb dat ik het allemaal aan kan. 

Dat al die maniertjes in feite zijn als een wortel aan een touwtje voor de kop van een paard, dat weet ik heus wel, maar fietsen en koud douchen is—ook los van mijn zelfzwendel—nog altijd gezonder dan het níét doen. Want de categorie slecht, die ken ik ook. 

Ondertussen (cont’d) lees ik Every Love Story is a Ghost Story van D.T. Max. Het is de biografie van cult-auteur David Foster Wallace, het sneue genie bekend van zijn twaalfhonderd-plus pagina’s tellende monsterwerk Infinite Jest. De meeste mensen die dat boek in de kast hebben staan hebben het niet gelezen; er is haast niet doorheen te komen. Ik kwam tot pagina honderd, geloof ik. De biografie, echter, lees ik met plezier en gulzigheid. Het verrijkt mijn kijk op schrijverschap, op wat literatuur is of kan/ moet zijn. Daarnaast herken ik veel van zijn persoonlijkheidstrekjes: nooit eens het midden weten te vinden tussen zelfhaat en arrogantie, altijd te weinig geïnteresseerd in of geboeid door anderen zijn, nooit eens comfortabel, veel te kinderachtig en kleinzerig waar het kritiek betreft, altijd moeite met intimiteit, veel te veel geïnvesteerd in een carrière waarin een mens maar zelden succes heeft (nu nog minder dan in de jaren negentig en nul, het tijdperk van Wallace), waardoor frustratie en een gevoel van falen onvermijdelijk zijn, en dan ook nog eens continu met ál die dingen bezig zijn, obsessief en egocentrisch, wat de zelf-walging alleen maar verder opstuwt.

In een brief schrijft Wallace: ‘I go through a loop in which I notice all the ways that I am—for just an example—self-centered and careerist and not true to standards and values that transcend my own petty interests, and feel like I’m not one of the good ones; but then I countenance the fact that at least here I am worrying about it, noticing all the ways I fall short of integrity, and I imagine that maybe people without any integrity at all don’t notice or worry about it, so then I feel better about myself.

Het is geen vrolijk boek, en ook het feit dat ik er zo veel in herken stemt niet vrolijk. (Wallace pleegde zelfmoord op zijn zesenveertigste.) Of zóú niet vrolijk moeten stemmen, want ik lees het, gek genoeg, met veel plezier. Misschien omdat ik denk dat ik er in ieder geval minder erg aan toe te ben dan Wallace, of misschien omdat ik hoop dat ik de paden die hij bewandelde, en die in dit boek zo helder en goed beschreven zijn, nu makkelijker vermijden kan.

Ach, weet ik veel. Ik ben erdoor geboeid en steek er wat van op. Ik lees gewoon lekker een boek, zo kun je het ook zien. Het is gewoon iets wat een mens doet. Beetje fietsen, een keer koud douchen, een boek lezen. En dat dan gewoon goed is. 

PS Het walnotenboompje is verplaatst naar de tuin van mijn ex-vrouw, waar er meer ruimte voor is. De verhuizing heeft het boompje echter geen goed gedaan: we weten niet of hij of zij het zal overleven.

PPS Ernest Hemingway is gecanceld ligt momenteel bij de uitgeverij en wordt gelezen door de redacteur. Aan de volgende roman ben ik al voorzichtig begonnen, al ben ik voorlopig vooral aan het uitstellen. De werktitel is: De powerlifter.

 


Abonneer je HIER op deze stukjes (die normaal gesproken korter dan deze zijn).

de ballade van de katalysator

Ze hebben m’n katalysator gestolen. Zo, hup, onder m’n auto vandaan. Ik heb een gedeukte Toyota Prius uit 2005, een hybride, en juist die katalysatoren zijn momenteel blijkbaar in trek, vanwege de kostbare metalen die erin zitten.

De situatie op het moment dat ik erachter kwam was op zich nog wel grappig. Mijn jongens en ik gingen naar de dierentuin in Veldhoven, die net weer open is. Mijn oudste ging naast me zitten en mijn jongste stapte achterin. Ik startte de auto. Op datzelfde moment startte er vlak naast ons een reusachtige Harley Davidson. Ik keek om me heen maar zag hem niet. Het lawaai was oorverdovend. Waar wás die Harley? Ondertussen was mijn oudste zoon al uit de auto gesprongen en weggerend. Mijn jongste riep: ‘Zet de auto uit, straks ontploft hij!’ Pas toen realiseerde ik me dat het mijn auto was die het kabaal produceerde. 

Ze probeerden het al eerder, die dieven. Een vrouw uit de straat zag ze ’s nachts bezig voor haar raam, waar mijn auto stond. Ze klopte op het raam en de mannen liepen weg. Bonkige kerels met kortgeschoren haar. De volgende dag, toen ze me erover vertelde, snapten we er allebei niks van. Wilden ze mijn gare auto stelen? (Die deuken heeft trouwens mijn ex-vrouw erin gereden.) Maar nee dus. Nu weet ik het.

Er zijn door heel het land Oost-Europese bendes actief. Alleen al vorig jaar werd er achthonderd keer aangifte gedaan van een gestolen katalysator. De dieven zetten een krik onder je auto en slopen het ding eruit, of eigenlijk eraf. Het kost ze slechts enkele minuten. Een katalysator levert hen tussen de vijftig en honderd euro op. Ik heb zojuist de garage gebeld; mij gaat het ruim zeshonderd euro kosten.

Zo lossen de problemen elkaar af. (Een alternatieve titel voor dit stukje is Ontgoocheling, cont’d.) Dat wil zeggen: de problemen lossen elkaar af mits ze beleefd genoeg zijn om te wachten tot hun voorganger het veld heeft geruimd, zoals vanochtend de vierde persoon bij de apotheek braaf en volgens de regels buiten wachtte tot de de derde persoon het pand verlaten had. Maar de brutale, lompe problemen komen gewoon allemaal tegelijk naar binnen, als dronken Oostblok-bouwvakkers bij het schap met BBQ-vlees in een Poolse supermarkt. 

Toen ik onderzoek deed naar dit nieuwe fenomeen, waarvan ik nu dus de dupe ben geworden, kwam ik een nieuwsbericht tegen waarin te lezen viel hoe in Engeland een katalysator-dief is geplet door de auto waar hij onder lag. Blijkbaar had hij de krik niet goed geplaatst. Een sterfgeval is nooit grappig. Ik herhaal: een sterfgeval is nooit grappig. Echt nóóit hoor.  

 


Leuk als je je op de stukjes wilt abonneren! Het is gratis.

ontgoocheling

Als je één ding moet kiezen dat de menselijke ervaring typeert dan moet het ontgoocheling zijn. Dit heb ik besloten.

Mijn vader, woonachtig te Rotterdam, mailde me dat hij eindelijk weer eens de stad inging. Met de tram. Hij droeg een mondkapje en bereidde zich voor een aangepaste situatie en het opvolgen van nieuwe regels. Moedig, benieuwd en met gepaste eerbied voor onze huidige problemen stapte hij de wereld in. Maar wat bleek? Hij was zo’n beetje de enige met een mondkapje, en de tram zat hartstikke vol. In de ogen van de mensen om hem heen zag hij vooral achteloosheid en verveling. Stond hij daar met zijn mondkapje en zijn integere bereidwilligheid. ‘Ik voelde me voor lul staan,’ schreef hij verontwaardigd. De ontgoocheling spatte er vanaf. Dat bedoel ik dus. Zo gaat het met alles.

Ik wandelde met mijn vriend T door het bos. Er kwamen snelle fietsers voorbij. Ze waren gekleed in fietskleding, hadden een complete uitrusting en zagen er identiek uit. ‘Waarom moet je je dan meteen zo kleden?’ zei mijn vriend spottend. ‘Waarom moet je meteen zo’n type zijn, met precies die kleding en precies die spullen?’ Ik was het met hem eens; het was zó burgerlijke en volgzaam en fantasieloos. Nu kocht ik eergisteren zelf een sportfiets, de eerste nieuwe fiets die ik ooit in mijn leven heb gekocht. Ik ben er nu twee keer mee gaan fietsen. Ik merkte echter dat ik pijn aan mijn kont kreeg, dus misschien moet ik zo’n fietsbroekje kopen met schuimrubber op het zitvlak; het is dat of vier onderbroeken over elkaar heen dragen. Ook had ik dorst, dus misschien moet ik een bidonhouder installeren, en een bidon kopen. De zon scheen in mijn ogen, maar mijn gewone zonnebril zou door het zweet en mijn omlaag hangende hoofd al snel op de grond vallen, dus misschien moet ik zo’n lichtgewicht zonnebrilletje kopen dat beter om je oren klemt. Toen ik heel hard reed zag ik een auto niet aankomen en kon ik maar net op tijd remmen, dus misschien moet ik een helm kopen. Binnen afzienbare tijd zal ik eruit zien als zo’n typische, wanstaltige fietser. Die ontgoocheling, die bedoel ik.

Met mijn jongste zoon keek ik weer eens een natuurdocumentaire. Deze was helemaal gefilmd in het donker. We zagen mooie dieren. Och wat mooi. Maar toen: al die dieren hadden het zwaar en werden met uitsterven bedreigd. Ik was vergeten dat zo’n beetje iedere natuurdocu dat stramien heeft; eerst laten zien hoe mooi de dieren zijn en vervolgens hoe ze allemaal ten onder gaan. Mijn zoontje moest huilen.

Ook ben ik begonnen met koud douchen. Het zou gezond zijn en daarbij goed voor je gemoedstoestand. Vanochtend liet ik zo lang als ik kon een ijskoude straal op mijn voorhoofd klateren. Nu heb ik hoofdpijn en een loopneus.

Ontgoocheling. Mensen denken bij de typische kenmerken van het leven al snel aan verdriet, liefde, stress, rouw, etc. Maar ik zeg het je: op nummer één staat ontgoocheling.

 


Je abonneren op deze stukjes? Dat kan hier.