zonnige sterfdag

Door het huiskamerraam van de woning van mijn ex, waar ik periodiek een paar dagen voor onze zoons zorg, zie ik hoe bij een huis hiertegenover een overleden man op een brancard naar buiten wordt gedragen. Geen noodgeval; de dokter zag ik eerder op de dag al naar binnen gaan; het was al gebeurd. Geen noodgeval betekent natuurlijk niet: geen tragedie. Er was geen haast bij, geen nood; dat is wat ik bedoel. Hij was al oud, geloof ik. Ook daarmee wil ik niet zeggen dat het niet erg is. Ik weet niet hoe erg het is; ik weet niets van de situatie. Ook weet ik niet of Covid er iets mee te maken had.

Wat ik wel weet is dat de zon schijnt. Juist vandaag. Als het een dierbare van mij was geweest, die vandaag was overleden, dan zou ik me dat voorgoed herinneren. Die ene droge, zonnige dag tussen al die grijze, natte dagen. Die grijze, natte dagen tijdens de lockdown. Die grijze, natte dagen die ons gevangen hielden in onze huizen, waar we almaar somberder en gefrustreerder werden. En toen ineens, vandaag, die zonnige dag, die zei: snel, ga naar buiten, het kan alleen vandaag, het moet vandaag. En dat die dierbare van mij dan inderdaad vandaag naar buiten ging, maar overleden, op een brancard. Dat zou me bij blijven.

Zelf ben ik vanochtend ook naar buiten gegaan. Een flink stuk gefietst. Ik probeerde ervan te genieten, maar dat was niet makkelijk. Ik dacht steeds: dit kan alleen vandaag, dit moet vandaag, morgen zit ik weer opgesloten. Fietsen in de regen en kou is niet fijn. Boswandelingen, die maak ik ook met regen, maar dat is een nogal trieste onderneming, de bomen kaal en gebogen, mijn voeten weggezakt in de modder, herhaaldelijk mijn neus moeten leegblazen. Maar goed, ik heb toch weer bewogen, er heeft zich bloed verplaatst, ik leef nog.

Mijn jongens voelen de behoefte überhaupt niet. Die moet ik naar buiten sturen of meenemen als ik naar buiten ga. Mijn jongste moet van mij zometeen boodschappen doen. Donderdagavond is onze vaste pizza-avond. ‘Maar ik weet niet welke pizza jullie altijd hebben,’ zei hij net, doelend op de pizza’s van mij en mijn oudste. Altijd die tegenwerpingen, die obstakels; ik  wil gewoon dat ze even naar buiten gaan. ‘Maar mijn fijne schoenen liggen in het andere huis.’ ‘Maar mijn vriendje komt zo online en dan spelen we samen Roblox.’

Nou ja, goed… We leven. Ondertussen wordt mijn huis verbouwd. Investeren in de toekomst is dat. Ik moet ook gewoon weer aan het werk, dat weet ik, maar het gaat zo niet, ik heb geen eigen plek, mijn jongens hangen om me heen, ik heb geen rust, ik beweeg te weinig, er is te veel regen, mijn brein blijft steeds aan YouTube-filmpjes plakken. De derde golf komt eraan, zegt Rutte aldoor in mijn hoofd. De derde golf, de derde golf. Welja. Steeds meer bekruipt me het gevoel van: dit is het nieuwe nu. Het voelt inmiddels zo permanent. Ja, ik weet: alles komt in golven. De regen, de somberte. De liefde, het verdriet. Opstaan doe je met een golf van energie, gaan slapen doe je met een golf van vermoeidheid. Morgen weer nieuwe golven. Golven aan de horizon. Maak je klaar. Blijf binnen. Ga naar buiten.

De man hiertegenover is klaar met golven. Hij ging voor de laatste keer naar buiten. In de zon. Alsof de regen zei: vooruit, we laten die man er even door.

 


Je kunt je op deze stukjes abonneren. Dat is heel eenvoudig en ook nog gratis. Het kan HIER

mijn geschiedenis van curaçao

Ik was bij iemand op bezoek (mondkapje voor, mijn hele lichaam gewikkeld in bubbeltjesplastic, een motorhelm op, blauwe ziekenhuisjasjes om mijn schoenen) die me vertelde over een ex-vriendje genaamd Jan, een Antilliaan. Dat we erover kwamen te spreken was omdat we het over voornamen hadden. Jan klinkt zo Hollands, maar er zijn dus ook Antillianen genaamd Jan.

Het was vanwege dit gesprek dat ik, in de auto terug naar Eindhoven, dacht aan alle banden die ik heb met Curaçao. Het is toeval, maar er zijn drie pijlen die wijzen van mij naar daar.

De eerste pijl is mijn vader. Zijn vader, mijn opa, werkte voor de Koninklijke Nederlandse Petroleum Maatschappij, die later Shell zou gaan heten. Als chemicus kreeg hij een baan bij de raffinaderij op Curaçao. Mijn vader bracht op het eiland zijn kindertijd door. Mijn opa en oma plaatsten hem expres niet op een witte school voor expats, maar op een reguliere school, waar hij zo’n beetje het enige witte kind was. Hij werd gepest, ze noemden hem macamba koeli berde, wat zoiets betekent als: kouwe blanke bleekscheet. Kregen ze hem kwaad genoeg, dan riep hij terug: negroe stinki. Het was echter geen verschrikkelijke kindertijd, geloof ik. Veel ruimte, veel zon.

De tweede pijl is mijn tante, de zus van mijn moeder. Zijn trouwde met een Antilliaan en verhuisde naar het eiland, waar ze nog steeds wonen, met heel veel honden. Drie kinderen kregen ze, twee zoons en een dochter. Het was niet vaak dat ze naar Nederland kwamen, en dat ik ze zag, maar als dat er van kwam dan was dat heel bijzonder. Ze waren mijn neven en nicht, maar ze hadden een ander kleurtje. Ik weet dat mijn tante vaak klaagde over het eiland, dat het haar te heet was, dat ze terug naar Nederland wilde, maar dat is nooit gebeurd.

De derde pijl is mijn oom. Of eigenlijk niet echt mijn oom, maar de schoonbroer van mijn overleden stiefvader. Getrouwd, dus, met de zus van mijn stiefvader. Hij opende op Curaçao een advocatenkantoor. Met zijn gezin verhuisde hij ernaartoe. Voor één dollar kocht hij een vervallen landgoed, een nationaal momument vlakbij de zoutpannen, en liet dat helemaal opknappen, om er vervolgens te gaan wonen. Het was een voormalig koloniaal landhuis met kleinere slavenhuisjes erbij. De locatie had te maken met zoutwinning.

Tijdens de restauratie van die gebouwen was ik er toevallig op vakantie. Dat had dan weer te maken met het feit dat mijn moeder (dus misschien een vierde pijl?) bij die oom en tante was ingetrokken als nanny, om voor hun vier kleine kinderen te zorgen. Ik was een jaar of zestien toen ik daar meehielp met slopen en schilderen, waarmee ik een duikcursus verdiende. Zo rond het middaguur gingen al die werklui in de schaduw liggen slapen, met een pet over hun ogen. Ik probeerde dat ook, maar mij lukte het niet. Te onrustig, te Noord-Europees.

Daarnet, tijdens het schrijven van dit stukje, dus echt zojuist, belde mijn vader me. Even ervoor had ik hem een berichtje gestuurd: ‘Hoe noemden ze jou op de lagere school ook alweer, en hoe noemde jij hen?’ Hij stuurde me het antwoord. Maar toen, dus nu net, belde hij om te zeggen dat ik er geen ‘raar stukje’ van moet maken, dat hij nog maar een kind was toen hij dat racistische scheldwoord gebruikte. Ik zei hem dat mijn lezers dat heus begrijpen. (Toch?)

Maar goed, daar dacht ik dus over na, in de auto onderweg naar huis. Ik ben er zelf drie keer geweest, op Curaçao. Omdat mijn moeder er was. Ga ik er ooit nog naartoe terug? Ik denk het niet. Ik vond het een leuke, maar ook enigszins ongemakkelijke plek.

Mijn mooiste herinnering aan Curaçao is de volgende. Mijn oom en tante (van de kant van mijn stiefvader) hadden een groot zwembad. Bijna dagelijks trof ik daarin zeker één of twee kleine groene leguanen aan. Jonkies nog. Waarschijnlijk wilden ze drinken en vielen ze erin. Wat me voor altijd bijblijft is hoe ze niet wild zwommen, niet spartelden, maar stil op de bodem zaten. Waarschijnlijk onderkoeld, maar wel nog in leven. Ik dook ernaartoe, pakte ze in mijn handen, zwom naar boven en hield ze in de zon tot ze waren opgewarmd en weer in beweging kwamen.

 


Denk je nu: ik zou deze stukjes wel automatisch in mijn mailbox willen ontvangen? Aarzel dan niet en klik HIER

scheltema tv

Gisteren werd speciaal voor mij boekhandel Scheltema in Amsterdam geopend. Zoals sjieke kledingzaken speciaal opengaan voor supersterren—zodat ze zonder rumoer kunnen winkelen—zo ging Scheltema speciaal open voor mij. Nadat ik op mijn dooie gemakje een paar mooie boeken had uitgekozen, en zodoende was aanbeland op de vierde etage, zag ik twee fauteuils staan, met daarbij twee microfoons. Blijkbaar zaten ze juist deze middag verlegen om een interessante, knappe, grappige, intelligente spreker. Ik ben de flauwste niet, dus ik zei: ‘Weet je, ik maak er wel even tijd voor.’ De kreten van enthousiasme, geslaakt door het aanwezige personeel, deden in de hele winkel bladzijden ritselen.

‘Máár,’ zei ik. ‘Ik doe het alleen als de schrijver Roos van Rijswijk mij interviewt.’

Perplexe gezichten. ‘Maar hoe moeten wij nu zo snel Roos van R—’

‘Je regelt het maar,’ zei ik.

Vanzelfsprekend deden ze wat ik hun opdroeg en even later verscheen Roos van Rijswijk. Het gesprek werd gefilmd met een kleine webcam gemonteerd aan het plafond. Dat was even wennen; ik ben professionele camera’s gewend. Niettemin was het gesprek—was ik—ook nu weer een fenomenaal succes.

Je vindt het interview op YouTube (KLIK). Met de eerste twee minuten is geloof ik iets misgegaan, maar vanaf daar doet hij het. Het aantal views tikt inmiddels de 32 al aan. Mij zal het niet verbazen als dat vanavond al 36 is. Probeer om niet van opwinding van je stoel te glijden.

Overigens ben ik vanavond misschien te gast bij televisieprogramma M., maar waarschijnlijk niet, want de actualiteit gaat voor. Dat is oké, ik ben een ster, ik ben een pro. Het maakt niet uit, want waar ik ook ga, de mensen met smaak weten me toch wel te vinden. Voor hen heeft de actualiteit een naam, en die luidt: Henk van Straten.

 


Voor een gratis abonnement op deze pareltjes klik je HIER

volle bingokaart

‘Gefeliciteerd met een volle bingokaart!’ stuurde vriendin R. me. Omdat ik nu officieel alle recensies gehad heb. Of Jeroen Vullings moet er nog eentje schrijven in Elsevier.

Afgelopen donderdag werd Hemingway besproken in De Groene Amsterdammer door Christiaan Weijts. Net als het stuk in NRC, van Thomas de Veen, was het een recensie met zowel lof als kritiek. Beide waren doordachte recensies, eerlijke recensies, rechtvaardige recensies.

Dat de recensie in de Volkskrant anders zou zijn wist ik al zodra ik hoorde wie hem zou schrijven. De weken eraan voorafgaand had ik tot God gebeden: niet zij, alsjeblieft niet zij. Maar natuurlijk was zij het wel. Uit betrouwbare bron vernam ik dat ze het boek voor zichzelf claimde, snel, voor iemand anders er iets mee kon. Haar agenda, die ook uit de toon van haar artikel duidelijk blijkt, was op dat moment al duidelijk. Ik ken haar simpele geest, ken haar bekrompen motieven, haar modus operandi. Met alle schrijvers van alle boeken die ze besprak, toen ik nog op de VK geabonneerd was, had ik medelijden. Een goed boek heeft bij haar geen kans. Roman na roman zag ik door de nauwe, donkere, klinische tunnel van haar brein gaan, om er gestript, kaal, misvormd en ééndimensionaal uit tevoorschijn te komen. Zoek anders maar even naar haar recensie van het boek van Marieke Lucas Rijneveld, waarmee Rijneveld de Man Booker Prize won. Zelfs als ze positief over een boek schrijft is het nog gênant, want ook die boeken begrijpt ze in feite niet. Iedere schrijver weet dit. De bijval die ik kreeg na deze recensie—in de vorm van berichtjes—was daarom groot. Onderlinge haat en nijd ten spijt, niemand van ons gunt de ander een recensie van deze vrouw. Waarschijnlijk heeft ze daar zelf geen idee van. De hoofdredactie blijkbaar ook niet.

Maar goed, zoals ik zal zei: ik wist dat deze recensie zou komen, en wist al hoe hij eruit zou zien. In die zin kan ik er ook wel weer om lachen. De voorspelbaarheid ervan; wederom niet verrast worden door iemand die het niet in zich heeft om te verrassen. En ik, die daar dan tóch weer misselijk van is. De gedachte aan al die mensen die de recensie lezen. Ik kan er niks aan doen; ik heb er sowieso een paar dagen last van. Het zou me eerlijk gezegd niet verbazen als het haar, zij het misschien op een onbewust niveau, hierom te doen is.

‘Trek het je niet aan,’ zeggen mensen. Makkelijker gezegd dan gedaan. Wandelen dan maar weer. Films kijken met m’n jongens. Lezen in Antkind van Charlie Kaufman, die me, slechte recensie of geen slechte recensie, aldoor aan het lachen krijgt. En het is ook wel een prettig idee: alle recensies gehad, een einde aan de tergende anticipatie. De balans kunnen opmaken.

Ook heb ik weer een nieuw horloge. Ik heb geruild, voor de zoveelste keer. Dit lijkt een blijvertje. De kast is van brons, wat betekent dat het metaal gaat verkleuren. Patineren, heet dat. Dat vind ik leuk, zo’n proces dat nooit stopt, waardoor het horloge continu in verandering is. Overigens is dit model voor vrouwen bedoeld, geloof ik, maar dat vind ik niet erg; ik heb dunne polsen en dat heb ik leren accepteren.

Enfin. Onderaan dit stukje plaats ik de links naar beide nieuwe recensies. (Een Tikkie vind ik in dezen niet gepast; dit stukje schreef ik meer voor mezelf dan voor jullie.) Morgenmiddag ben ik in de (gesloten) boekwinkel Scheltema voor een live gestreamd interview. Geen idee hoe dat werkt. Als het later is terug te kijken dan laat ik dat nog wel weten.

En o ja, ik droomde vannacht over giftige vlinders. Prachtige, fladderende vlinders die op je hand landen, en die dan bijten. Daar was ik ook al zo ontstemd over.

 


Lees HIER de recensie in De Groene. Lees HIER de recensie in de Volkskrant. Abonneer je HIER gratis op deze stukjes.   

yogakamer

Ik logeer in de yogakamer van mijn ex-vrouw, althans op de dagen dat ik de zorg draag voor onze zoons. Zij is op die dagen bij haar vriend. Mijn huis wordt verbouwd, vandaar. De benedenverdieping wordt verbouwd. En uitgebouwd, want ik krijg een grotere keuken. Daar zie ik naar uit: een keuken die zich leent voor gezelligheid, een grote tafel om aan te lezen, onder een dakraam, al noemen de bouwvakker het een lichtstraat.

Uiteraard ben ik ook weer eens ergens ingetrapt. Een oude werkbank als keukeneiland! dacht ik. Dat is bijzonder! Maar ik had beter moeten weten: altijd als ik iets bijzonder vind dan is de trend allang aangezwollen, of zelfs alweer ruimschoots over de piek heen. Ik had beter moeten weten dan wéér op een Instagram-advertentie te klikken.

Ik kreeg een mooie fles bier van ze. Van de bouwvakkers. Een speciale editie van Gouden Carolus, 0,75L. Voor mijn verjaardag alvast, aanstaande zondag. Nu kan ik niet anders dan die mannen trakteren op heel lekker gebak. Misschien was dat hun plan; misschien hebben ze dit zo uitgekiend en lag die fles al jaren ergens stof te vergaren. Dat komt zo’n Belgisch bier overigens alleen maar ten goede, jaren lang stof verzamelen, dus wat dat betreft hoor je me niet klagen. Wat zeg ik? Je hoort me überhaupt niet klagen.

Maar zoals ik al zei logeer ik dus in de yogakamer van m’n ex. Iedere avond leg ik er een matras neer en iedere ochtend ruim ik die weer op. Het ruikt er naar wierook. Het is een fijne plek. Ze heeft me er al een yogales gegeven, en soms zet ik er de laptop neer; dan kijk ik zelf een yogales op YouTube. Uiteraard doe ik een paar push-ups tussendoor, want anders vóél ik de testosteron gewoon uit me wegstromen. (De testosteron? Of het testosteron?)

Gisteren zei ik nog tegen mijn jongste zoon: jij bent pas tien, jij hebt nog geen testosteron, daarom kun je jezelf nog niet optrekken (noch aftrekken, zei ik er in mijn hoofd achteraan). Hij wil zich kunnen optrekken, zoals mijn oudste, die dertien is en inmiddels bijna even groot als ik. Als hij nu stopt met groeien betaal ik op zijn achttiende zijn rijbewijs.

Sorry, ik dwaal steeds af. Het ging me erom dat ik in de yogakamer van mijn ex logeer. En dus in haar huis woon, terwijl ondertussen het huis waar we twaalf jaar lang samenwoonden met drilboren en betonzagen wordt toegetakeld. Hier, in deze woning, hoor ik niet thuis. Het went wel, maar het klopt niet. Mijn ex heeft hier juist haar leven zónder mij opgebouwd, en zie: hier ben ik weer.

Maar het gaat best hoor. Wat ik al zei: het went. Alleen krijg ik steeds op m’n donder van onze jongens: dit moet daar niet staan, dat moet daar wel staan, deze deur doen we nooit dicht, dat licht blijft altijd aan, hier zit ik altijd. Wel geniet ik van het tosti-apparaat en de vaatwasser. Beide apparaten heb ik niet. Ze heeft zelfs een airfryer.

Maar ik heb straks een oude werkbank. Dat kan zij dan weer niet zeggen.

 


Je kunt je op deze stukjes gratis abonneren, en wel HIER.