Had zin in een nieuw boek dus stond in de boekwinkel. Was nergens naar op zoek. Niet naar iets specifieks, bedoel ik. Wilde gewoon een beetje kijken en boeken plukken.

Maar het zat me niet lekker. Het voelde daar niet goed. Kleine weeën van paniek. Te warm in mijn jas. Iemand liep me voorbij en schampte me; ik wilde naar hem uithalen. De boeken voelden niet lekker in mijn handen, alsof gewikkeld in prikkeldraad.

Toen begreep ik het. Het was de longlist van de Libris literatuurprijs, waar ik met Wij zeggen hier niet halfbroer niet opstond. Daarnaast was er een shortlist bekend gemaakt van de Boekhandelsprijs, en ook daarop stond ik niet. Toen ik het las wuifde ik het weg. Och, zo gaat dat. De bekende rationele argumenten: er staan zoveel goede boeken niet op die lijstjes, er staan een paar zeer matige op, zo’n jury is ook maar een willekeurig groepje mensen, WZHNH is heel goed gerecenseerd, etc. Allemaal waar en valide, maar nu stond ik hier, omgeven door boeken, en wilde ik een paar kasten omvertrekken. De laatste kans op een prijs of nominatie voor mijn boek was nu officieel vervlogen.

Kortom: de boekhandel was de laatste plaats waar ik wezen moest. Ik was als een oorlogsveteraan met PTSS op oudejaarsavond, omgeven door duizendklappers.

Haastig pakte ik een boek uit de kast. Bezweet rekende ik het af. 

Op de fiets naar huis stopte ik voor het stoplicht naast een man. Hij droeg een heel grote, fluorescerende, gele jas. Een werkman, dacht ik, maar hij droeg afgetrapte sportschoenen en een rafelige rugzak. Eerder iemand die de jas van een werkman had gevónden.

Zodra het licht op groen sprong trapte hij als een bezetene. Hij schoot vooruit, maar even verderop haalde ik hem gemakkelijk in. Zijn trappers gingen zo snel rond dat zijn sportschoenen slechts wazige vlekken leken. Hij was bezweet. Ik reed hem voorbij en stopte voor het volgende stoplicht, waar hij naast me kwam staan. Het licht sprong op groen en daar ging hij weer: trappen, trappen, trappen. Tot zijn zichtbare ergernis haalde ik hem opnieuw in.

Op het schoolplein wachtte ik op mijn jongens. De jongste kwam naar buiten. Zijn kapsel, dat ik die ochtend met veel gel omhoog had gekamd, was ingezakt. Het was ‘Doe eens raar met je haar’-dag, vaste prik op de woensdag voor Carnaval. Hij keek sip. Hij hoorde niet bij de beste drie kapsels, vertelde hij. Een meisje met in haar haar bolletjes wol en breinaalden rende hem stralend voorbij.

Nou ja, goed, het ging wel weer over hoor. Thuis aten we een paar bastognekoeken en werkten aan zijn robotkostuum. En dat paniekboek dat ik kocht – The Girls, van Emma Cline – begint heel goed. Ik hoop dat ze er géén prijs mee wint.


Je abonneren op deze stukjes of een eenmalige donatie doen? Klik hier. Eind maart verschijnt Berichten uit het tussenhuisje.