De trein van Eindhoven naar Amsterdam is al vol wanneer ik instap. Ik loop door een aantal coupés maar het heeft geen zin. Halverwege een eersteklascoupé kan ik niet meer verder; het staat vast. Er zijn nog een paar stoelen vrij; mensen aarzelen om in de eersteklas een stoel te nemen. Toch ga ik zitten. Al snel volgen enkele anderen en is iedere stoel bezet. Het gangpad staat vol.

Achter me hoor ik een mannenstem. Een beetje keurig, of ieder geval fatsoenlijk: ‘Wilt u alstublieft opstaan voor mijn vrouw?’

Een vrouwenstem – Limburgs accent – geeft antwoord: ‘Nee.’

De man, ferm en licht geïrriteerd: ‘Waarom niet? Dat is toch heel gebruikelijk? Opstaan voor een ouder iemand? Mijn vrouw is éénenzeventig.’

Nu is er een tweede vrouwenstem, zacht en benepen: ‘Paul.’ Verder niets, alleen maar ‘Paul’. Maar in die naam zit een hele zin, een hele smeekbede: Paul, doe dit niet, laat het gaan.

De Limburgse: ‘Waarom moet ik staan? Deze andere mensen zitten toch ook?’

‘Goed,’ zegt Paul. ‘Dan haal ik de conducteur erbij.’

‘Paul,’ zegt zijn vrouw, wanhopig maar nog steeds zacht. En nog eens: ‘Paul.’ Een golf van plaatsvervangende schaamte gaat door de coupé.

Maar Paul negeert haar. Er is hier sprake van onrecht. De Limburgse die weigert op te staan is een symptoom van het verval van onze normen en waarden, van respect en fatsoen. Dat is belangrijker dan de schaamte van zijn vrouw. Belangrijker dan luisteren naar haar, naar wat zíj wil.

De vrouw tegenover me en ik gaan tegelijk staan. ‘U kunt hier zitten,’ zeggen we ongeveer tegelijk. De vrouw is begin zestig. ‘Nee,’ zeg ik. ‘Ik ga staan, voordat die man explodeert.’

De vrouw van Paul glipt snel op mijn stoel. Een dankbare blik. Paul volgt haar. De vrouw tegenover me gaat alsnog staan, en Paul gaat zitten waar zij zat. Ze schelen hooguit tien jaar. Er is ook een kleinkind; Paul neemt het op schoot. Zijn hartslag is nog hoog, dat zie je, maar hij staat in zijn recht en dat helpt tegen het ongemak. Hij is een goede man. De maatschappij kan verloederen, maar Paul zal altijd doen wat juist is. Zijn vrouw, die zo te zien al decennia met hem samen is, slaat snel de Volkskrant open. Ze verbergt Paul achter de opengeslagen pagina.

De Limburgse staart uit het raam. Ik zie de radertjes van zelfrechtvaardiging draaien in haar hoofd. Ze is een goed mens. Zij moet toch ook zo vaak staan? Nu zat ze eens lekker. Ze heeft last van haar rug. Iemand anders had ook op kunnen staan voor die mensen. Het was niet eerlijk, zoals die man haar had uitgekozen.

Het kleinkind laat een paar kleurpotloden vallen. Een zwarte man op de stoel schuin tegenover hen raapt ze op en geeft ze aan haar terug. ‘Dat is aardig van die meneer,’ zegt Paul. ‘Zeg maar dankjewel tegen die meneer. Wat is dat een aardige meneer zeg.’ Want Paul is geen racist, moeten wij weten.

De vrouw die met mij is opgestaan houdt zich vast aan een rugleuning. Niemand staat voor haar op. Niemand wil het drama nieuw leven inblazen; dit was zo allemaal al gênant genoeg. Ik overweeg om te gaan zingen: ‘Ik heb een poooootje met vet! Al op de taaaaaafel gezet… En nu met z’n allen!’


Ter info: ook ná de vakantie kun je nog boeken lezen. Bijvoorbeeld Wij zeggen hier niet halfbroer. Gratis abonneren op deze stukjes? Klik hier