Gisteravond danste mijn zoon van dertien door de huiskamer. Voor de grap had hij een zonnebril opgezet. Hij zong: ‘Ik ben slim, ik ben slim.’ Even daarvoor hadden we een brief van school opengemaakt, met daarin de uitslag van de CITO-toets die hij aan het begin van dit schooljaar maakte. Op het gebied van leesvaardigheid en woordenschat, met betrekking tot zowel Engels als Nederlands, scoorde hij VWO-niveau. Voor de duidelijkheid: hij zit op ’t VMBO-T en haalt daar meer onvoldoendes dan voldoendes.

‘Ik ben slim, ik ben sliiiiiiiim!’

Ik probeerde niet in de lach te schieten en oreerde over huiswerk, over goed leren, etc. Maar hij bleef dansen, met die zonnebril op, tot ik moest lachen. Trots belde hij z’n moeder. ‘Mama, ik ben superslim!’ Waarop ook zij begon over huiswerk, en onvoldoendes, etc. Het maakte hem niets uit. Zijn avond kon niet meer stuk; hij was slim. Wat wij allang wisten, natuurlijk.

Ik vind het moeilijk om een daadkrachtige vader te zijn. Ik schiet steeds in de lach. ‘Dit is niet om te lachen,’ zeg ik tegen hem, en lach. Dat weet hij, dat ik zal lachen. Het lijkt dan allemaal zo erg niet, en misschien is het ook zo erg niet. Ook ik deed ‘t niet goed op school, maakte nooit een opleiding af. Toch voel ik onderhuids de vrees dat het zal misgaan, dat ik fermer moet optreden, dat de wereld hem zal vermalen. Dat hij niet, zoals als ik, toevallig net dat éne talent blijkt te hebben dat hem redden zal. (Ik heb nog steeds niet het idee dat het mij echt heeft gered; ik verwacht nog altijd dat mijn kwetsbare bestaan spoedig zal instorten.)

De nieuwe tatoeage op mijn gezicht vindt hij geweldig. Ook mijn nieuwe horloge—mijn oude IWC ruilde ik in voor een vintage Rolex Oyster Perpetual—deed hem joelen van enthousiasme. Het zijn dingen die hij ziet in de videoclips van rappers: tattoos en juwelen. Ik wil hem zeggen dat die dingen er niet toe doen, maar ja.

Gisteren zat ik met mijn jongste bij het consultatiebureau. Hij is tien. Een grijze vrouw met een rood aangelopen gezicht begon over de puberteit, over haartjes op plekken waar die nu nog niet groeien. Ze zei: ga eens recht zitten, kijk me eens aan. Maakte ik een film over kostscholen in de jaren vijftig dan had ik haar onmiddellijk gecast. ‘Ik zie dat je moeite hebt met netjes schrijven,’ zei ze na het bestuderen van onze ingevulde vragenlijst. Mijn zoon wees naar mij en zei: ‘Ik schrijf nog altijd netter dan mijn vader.’ Dit was geen leugen. Weer lachte ik, en weer was er onderhuids dat gevoel van naderend onheil.

Dat nieuwe horloge, die Rolex, ga ik omruilen voor weer een andere. Deze is te opzichtig. Mijn oudste zoon vervloekt me; hij wilde de Rolex erven als ik sterf. Gisteren deed hij hem even om. Ik schrok: zijn polsen zijn nu al even breed als de mijne. Hij is dertien. Ik zie hem ook steeds sterker worden. Hij doet pull-ups in de keuken. Hij is even lang als ik. Hij doet aan boksen. Ik geef het nog een jaar of twee en dan is hij sterker. Ook dat beangstigt me. Ik geef het niet graag toe, en ben er niet trots op, maar het fundament van mijn dominantie in dit huishouden bestaat voor een deel uit fysiek overwicht. Althans het gegeven ervan. Ik sla nooit, maar bij ernstige conflicten is er ergens, op een intuïtief of dierlijk niveau, de dreiging van geweld. Ik verhef mijn stem, mijn lichaamstaal verandert. ‘En nú ga je naar boven!’ Nog even en hij zal erom lachen. Hopelijk lachen we dan samen.

 


Je abonneren op deze stukjes is gratis en kan HIER. Half december verschijnt mijn nieuwe roman: Ernest Hemingway is gecanceld.