Zaterdagavond verzorgde ik tijdens Crossing Border in Den Haag een live interview met een Schotse auteur genaamd David Keenan. Meteen daarna, op hetzelfde podium, deed mijn vriend Jasper Henderson hetzelfde, maar dan met twee andere Britten: Max Porter en Mike McCormack. Max Porter schreef het gelauwerde Grief Is The Things With Feathers, dat ik twee keer ademloos las.

Ze spraken over de kraai in Grief, die vanzelfsprekend is geïnspireerd door het werk van dichter Ted Hughes. Ik zeg vanzelfsprekend, maar ik had geen idee. Als enige, zo leek het. Het werd slechts kort benoemd, om vervolgens dieper op de materie in te gaan, aangezien het overduidelijk was en iedereen in de zaal het wel zou weten. Maar ik wist het niet, en dat terwijl ik hier thuis een Hughes-bundel heb staan met alleen maar dierengedichten erin. Er gebeurde wat op dat soort momenten altijd gebeurt: een flits waarin ik me weer het ongeschoolde boertje uit Eindhoven voel. 

Porter was aan het vertellen over zijn liefde voor de kraai, over wat de kraai zo bijzonder maakt, toen ik vanachter mijn vijfde biertje hard door de zaal riep: ‘What about the raven?!’ Misschien had het te maken met recalcitrantie: ik voelde me een boertje en besloot me daarom dan ook maar als een boertje te gedragen. Pak aan, stelletje intellectuelen! De zaal keek naar me om. Stilte. Porter haalde er min of meer zijn schouders bij op.

Of misschien was het iets anders. Ik schreeuw sowieso graag. Ik praat altijd hard. Al mijn hele leven krijg ik blikken en gebaren: doe zachter! Misschien vrees ik over het hoofd gezien te zullen worden, of ik ben bang voor stiltes. Of het is gewoon enthousiasme; als ik eenmaal iets vertel dat me boeit dan gaat het volume omhoog.

Het meisje dat zondag bij me was zei: ‘Misschien compenseer je voor je zachte G en moet je een tijdje mijn harde proberen.’ Wat haar uiteraard op een lel kwam te staan.

Afgelopen zomer liep ik een eindje op met een echtpaar waarvan de vrouw altijd mijn stukjes las, zei ze. Ik praatte en praatte, luid en opgewekt en waarschijnlijk zonder veel ruimte voor repliek. Ze zei: ‘Ik kan jou helemaal niet rijmen met je stukjes.’

Eigenlijk zouden jullie, mijn lezers, mij allemaal eens zo moeten horen praten. Zodat je weet: Henk ≠ zijn stukjes. Waarschijnlijk zou dat ook een afname betekenen van de  privé-berichten die wildvreemden me sturen, omdat ze me denken te kennen, een persoonlijke band met me denken te hebben.

Ach, ik weet ook niet waarom ik zo hard praat, en waarom zo veel. Je kunt jezelf nooit helemaal kennen. Misschien ben ik als de wolf. Dat zou ik wel fijn vinden: The howling of wolves is without world. What are they dragging up and out on their long leashes of sound that dissolve in mid-air silence? Ja, het is echt zo: ik ben als de wolf van Hughes. Kijk maar: The wolf is living for the earth/ But the wolf is small, it comprehends little.


Interesse in een abonnement met leuke extra’s? KLIK HIER. Of geef anders mijn laatste boek eens een kans: Wij zeggen hier niet halfbroer.