Een woonwijk met grote huizen en veel groen, de zon als een moeder die het hele gebeuren in haar armen houdt en zachtjes heen en weer wiegt. Nergens in deze straat is een mens te zien. Ze zijn vast heerlijk koel binnen, of in de riante achtertuin waar alles bloeit en zingt. Ze zijn kalm en tevreden; misschien is er veel pijn geweest, maar het is goed nu, ja, het is goed zo, er is geen reden om lawaai te maken. Geen herrie, geen drukte; als je hier staat kun je je niet voorstellen dat het allemaal echt bestaat: miljoenensteden waar ze de krotten op elkaar stapelen, extremisten in de woestijn, een aandelenmarkt – abstract en onbegrijpelijk – verspreid over glanzende wolkenkrabbers.

Ik bel aan maar niemand doet open. Mijn afspraak was om elf uur, en dat is het nu, dus ik blijf staan. In de eindeloos vertakte klimplant die over deze oprit groeit landt een koolmees. In het dichte woud springt hij speels en zacht ritselend van tak naar tak. Ergens huilt een baby. Het geluid komt niet uit deze straat, daarvoor is het te weinig indringend, te veel als een herinnering.

Er is iets vreemds aan de tijd die verstrijkt tussen aanbellen en het opengaan van een deur, alsof de wereld op pauze is gezet, maar als die deur dicht blijft, en je staat daar, dan zit je in die pauze gevangen, en blijk je daarin nog gewoon te kunnen bewegen, maar wat moet je met jezelf als de wereld op pauze is gezet?

De baby huilt nog, de pijn blijft, het huilen houdt ooit op. De koolmees kijkt om zich heen en kwettert. Ik sta in een droom, ik weet zeker dat dit een visioen is. Door alles word ik aangemoedigd: luister, luister, kijk dan, en snáp het dan eens. Ik sta op de grens van Weten, van Begrijpen, van Verlichting, dat voel ik aan alles, maar hoezeer de betekenis van alle dingen me hier ook wordt aangereikt, hoe makkelijk ze het me ook maken, het lukt me niet, de boodschap wil maar niet tot me doordringen, ook al ligt die huilende baby er waarschijnlijk wel héél dik bovenop en komt dat koolmeesje natuurlijk rechtstreeks uit Island van Aldous Huxley, waarin de vogels in de jungle één woord kennen en dat steeds herhalen: Attention, attention.

Verlichting komt nooit als je wil dat het komt. Het komt altijd plotseling. Maar juist dit moment, hier voor de gesloten deur van de psycholoog, lijkt er perfect voor.

Als ik iemand zie bewegen in de voortuin loop ik ernaartoe. De man van de psycholoog blijkt hij te zijn. Zijn vrouw ligt boven in bed, zegt hij. Ze is ziek. Ze heeft m’n voicemail ingesproken. Ik wil tegen de man zeggen: het hoeft al niet meer, de therapie is niet meer nodig, er is mij zojuist iets onbeschrijfelijks overkomen. Maar helaas weet ik beter. De deur stond wagenwijd open en toch vond ik de weg naar binnen niet.


Je abonneren op deze stukjes? Klik hier.