Jezelf voornemen om een goede man te zijn, ik weet niet of dat werkt. Vaak, als ik me het voorneem, ga ik weer de mist in, waardoor het voornemen aan waarde verliest. Misschien lukt het me niet omdat ik nog geen man ben, maar nog een man moet wórden. Althans, zo voelt het; na negendertig jaar voel ik me nog altijd een jongen. Zo bezien hoef ik niet altijd mijn verantwoordelijkheid te nemen, omdat ik dus nog niet écht een man ben. Ik kan mezelf mijn fouten vergeven. Het kan nog wel goed komen met mij.

Een dergelijke mijmering draagt sowieso al de kiem van melancholie in zich, maar in de koude avondschemering van een donker Duits woud – ik heb al een uur geen ander mens gezien – moet ik ervoor waken dat ik niet verander in een boom waarvan de wandelaars zullen zeggen: moet je zien hoe krom díé boom staat, en waarom heeft hij als enige geen bladeren?

Ik begon aan deze wandeling nadat ik, in ons gehuurde huisje, mijn zieke vriendin een kus op haar gloeiende voorhoofd had gegeven. Ik had thee bij haar neergezet en een dekentje over haar heen gelegd. Al op de heenreis had ze naast me zitten hoesten en was het vermoeden gerezen dat we de komende dagen wel eens aan huis gekluisterd konden zitten. Ik zorgde voor haar en toonde haar genegenheid, zo goed als ik kon, maar tegelijkertijd voelde ik de eigen onrust gonzen, de eigen demonen fladderen. Dat merkte ze, de afstand die dat veroorzaakte. Het is alsof ik er dan niet helemaal ben. Zo gaat het vaak: ik snak naar verlossing, naar gemoedsrust, en denk die te zullen vinden in een eenzame plek ver van hier, of juist ergens heel diep in mezelf, wat misschien op hetzelfde neerkomt.

Als ik haar minder warmte kan geven dan ik zou willen en ik ga fysiek bij haar weg – al is het maar voor een boswandeling – dan voelt dat alsof ik haar voorgoed verlaat.

Dat deed ik al eerder, natuurlijk. Verlaten. Een huwelijk van tien jaar. Twee zoontjes. Schreef er zelfs een heel boek over. Ook dat dragen deze bomen met hun lange, vertakte handen me na.

Op een open stuk met gras staat een houten uitkijktoren. Wellicht dat de boswachter vanuit daar met een geweer de wildstand in balans houdt. Ik wil in die toren zitten, zoals ik ook wil zitten in een lege bus wanneer ik er eentje door de nacht zie rijden, of zoals ik me in kleine dorpjes altijd voorstel dat ik er woon, en dat niemand me er kent.

Maar als ik eenmaal de trap ben opgeklommen en in dat houten boshutje zit – koud, vochtig, donker – besef ik maar weer eens dat mijn eigen, eenzame hart helemaal geen goed onderkomen is, en ik weet heus waar het wél warm is. Bij haar, ziek en onzeker onder haar dekentje in ons afgelegen Duitse huisje. Dus klim ik naar beneden en vervolg ik het pad. Een goede man. Nu echt.


Abonneer je HIER op deze stukjes.