Vandaag zullen mijn zoons voor Sint Maarten rondjes om de school rennen. Ze kregen een lijst mee naar huis waarop ze sponsoren konden noteren, en die sponsoren betalen een bepaald bedrag voor ieder gelopen rondje. Dat geld gaat naar Sint Maarten.

Mijn oudste ligt hier overigens met buikgriep op de bank, dus die rent niet mee, maar dat maakt voor dit verhaal verder niet uit, noch het gegeven dat mijn vrees om nu óók buikgriep te krijgen aanzienlijk groter is dan het medelijden met mijn zieke zoon.

Bij de eerste beelden die ik zag van Sint Maarten dacht ik aan een mierenhoop. Een mierenhoop waar een flinke storm overheen is gegaan, of waar een stoet kinderen met BMX’jes doorheen is geracet.

Voor sommigen onder jullie nu kwaad worden: ik probeer hier niet te propageren wat de Nazi’s propageerden ten aanzien van Joden en ratten; ik probeer de bewoners van Sint Maarten niet tot ongedierte te bestempelen en ze zo minderwaardig te maken. Ook wil ik geenszins de situatie bagatelliseren. (Mijn eigen vader woonde drie jaar op Sint Maarten. Oké, slecht voorbeeld, want mijn vader is wel degelijk ongedierte. [Geintje.] Hoe dan ook ben ik er zelf toen twee keer op vakantie geweest. Dat waren mooie vakanties, maar ook dat doet er nu even niet toe.)

Wat ik wil zeggen is dat wij, net als mieren, dieren zijn. En dat er soms iets gebeurt – een storm, kinderen met BMX’jes, een aardbeving, een atoombom; het doet er in feite niet toe – waardoor de hele boel aan diggelen ligt. Dat is voor mensen niet anders dan voor mieren.

Op de beelden zag je de straten vol water staan. Je zag mensen proberen te redden wat er te redden viel, als mieren met een takje tussen hun kaken. Hoe hoger de nieuwscamera die het filmde zich bevond, hoe krachtiger deze analogie. Andersom werkt het overigens net zo: zoom ver genoeg in en de strijd tussen bacteriën is een wereldoorlog.

De mate van belang of waarde – mensen zijn belangrijker dan mieren – is een kwestie van perspectief. Het hangt er vanaf hoe ver je in- of uitzoomt. Daar valt niets tegenin te brengen, tenzij je natuurlijk in een God gelooft die de dieren ondergeschikt aan de mensen maakte.

Maar wat ik nu zo mooi vind… Wat toch wel voor ons spreekt, als diersoort (ja, ik weet wat we allemaal kapotmaken), is dat alle schoolkinderen in Eindhoven vandaag rondjes om hun gebouw zullen rennen. Moet je je voorstellen: een mierenkolonie die aan het werk gaat voor een andere mierenkolonie aan de andere kant van de wereld. Dat doen die mieren echt niet.

Dus als ik de kinderen straks sta aan te moedigen, dan zal ik roepen: ‘Hup, mensen! Hup, mensen!’   


Deze stukjes zijn gratis. Toch een beetje bijdragen? Klik hier voor een donatie of een plus-abonnement. Mijn laatste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer. (En dat ik die kinderen ga staan aanmoedigen was een leugen. Dat werkte gewoon beter voor het verhaal.)