In de wachtkamer van de huisarts dacht ik nog wat na over De steppewolf van Hesse, dat ik even daarvoor had uitgelezen, of in feite had uitgeluisterd.

Geen zorgen, ik ging naar de huisarts voor een klein kwaaltje. (Nee, niet gaan raden nu. Ik zei: niet gaan raden nu. En al helemaal niet gaan denken dat het kwaaltje dáár zat, want daar zat het niet. Laat het los, in godsnaam. Stop.)

Tegen het einde ontspoorde hij een beetje, vond ik, Herman Hesse. En waarom moest Hermine dood en mocht Harry blijven leven? Ja hoor, heb je dát weer: de knappe, jongere vrouw was er voor hém, om hém tot nieuwe inzichten te brengen, en daarna mocht ze dood. Ik vond het juist zo mooi dat ze elkaar op dat gemaskerde bal eindelijk kusten. Ik hoopte dat hun dood voor hen allebéí slechts het afwerpen van een oude huid betekende, en niet alleen voor hem.

Enfin, de dood… In de wachtkamer zat ik met vier andere mensen. Alle vier waren ze oud. Oud en slecht ter been. Oud en zwaar ademend. Oud en vermoeid. Het piepkleine tafeltje waarop normaal blokken en ander speelgoed liggen, voor de kinderen, was leeggeruimd, al sinds Covid; eenzaam en klinisch stond het tegen de wand. Onder één van de stoelen stond een ouderwets stereosetje. Uit de speakers klonk het mierzoete Right Here Waiting van Richard Marx.

Wherever you go

Whatever you do

I will be right here waiting for you

Dat refrein is romantisch bedoeld natuurlijk, maar nu was het de dood die sprak: wat je ook doet, hoe je ook spartelt en piekert en vreest en sport en jezelf in neurotisch gedrag stort—welke online aankopen je ook doet—ik zal hier op je wachten.

We staarden voor ons uit, die oude mensen en ik, gevangen achter onze mondkapjes. Ik hoopte tranen bij hen te zien, en misschien ook bij mezelf te voelen. Dat de muziek, hoe zoet ook, ons tóch zou beroeren. Dat er in die oude, bleke ogen water begon te biggelen. Dat het geleefde leven aan hen voorbijtrok, en mijn geleefde leven aan dat van mij. Want ook ik was tenslotte al bijna éénenveertig.

I took for granted, all the times

That I thought would last somehow

I hear the laughter, I taste the tears

Maar nee. We huilden niet. En ik had een verschrikkelijke gedachte. Eenmaal zo oud, dacht ik, is het eigenlijk al voorbij, is het al klaar. Als je zo redeneert dan is zo’n mondkapje natuurlijk een totale vernedering, een laatste wrede grap. Maar angst is iets van alle leeftijden; aangesloten worden op de beademing en verdrinken in het vocht van je eigen longen drijft ook een bejaarde naar de huisarts, en naar het gevoel van controle dat zo’n prullerig kapje biedt.

Bijna éénenveertig. Cynische Harry Haller op zoek naar zijn sprankelende Hermine. Alleen hoeft mijn Hermine niet dood. Liever niet zelfs. Misschien ben ik even zoet-sentimenteel als de zanger van Right Here Waiting, maar die kus op het gemaskerde bal, die mag van mij het begin zijn, hoe donker het in mijn hart ook worden kan.

Het toeval wilde dat ik die avond misschien een meisje zou ontmoeten. (Excuus: een vrouw.) Ik zou er anderhalf uur voor moeten rijden, en ook anderhalf uur terug, en vanwege de avondklok, en haar werk, zouden we slechts een uurtje voor die ontmoeting overhouden. Waanzin. Maar met de dood zo op mijn hielen, moest ik dan niet tóch gaan?

If I see you next to never

How can we say forever

Plots zag ik in de ogen van de oude mensen alleen nog maar spijt. Spijt van alle keren dat ze de gok niet waagden.

Ik glimlachte achter mijn mondkapje. Romantiek in de wachtkamer, mede mogelijk gemaakt door one hit wonder Richard Marx. En zo maakte mijn cynisme een rentree, grijnzend als de wolf in de ziel van Harry Haller.

Nu kwam er nog iemand de wachtkamer binnen, een oudere man met een wandelstok. Voor hem was er geen plaats meer, dus stond ik op. Niet lang daarna was ik aan de beurt. Ik kreeg een antibiotisch zalfje. (Nee, níét voor dáár.)

 


Heel leuk als je je op deze stukjes wilt abonneren. Het is gratis en kan HIER.