Lang geleden ging ik met m’n ex eens naar de sauna. Voor mij was het voor het eerst, voor haar zeker niet. Ik vroeg haar steeds hoe alles moest, welke cabine na welk dompelbad, hoe lang wachten tussen twee hete cabines. In die hete cabines van 95 °C zat ik korter dan de aanbevolen duur; ik voelde mijn neusvleugels verbranden bij het inademen; ik vond het te heet; het voelde niet goed.

Gisteren ging ik weer eens, voor het eerst sinds die ene keer. Ik ging in m’n eentje. In eerste instantie liep ik ook nu weer rond in een staat van verwarring en verlorenheid. Al die mensen keken alsof ze er iedere week kwamen, terwijl ik nog steeds naar mijn rug graaide, op zoek naar het koord van mijn geleende badjas.

De hete cabines, echter, kon ik nu makkelijk aan. Ik zocht de hoogste plaatsen op, waar het ’t heetst was. Misschien kwam het door Albanië, waar ik ooit, tijdens een wandelreis door de bergen, met negen andere mannen in een zweethut zat, tientallen kilometers bij de bewoonde wereld vandaan. Daar dacht ik nu aan, aan die zweethut. We bouwden hem eigenhandig van takken en doeken. We sprokkelden keien bij elkaar die we in een metershoog vuur plaatsten. De hele dag waren we ermee bezig, onder leiding van een sjamaan (blond, blauwe ogen, luisterend naar de naam Menno).

In het donker, onder sterren zo fel dat je dacht dat je voor de gek werd gehouden, kropen we naakt die hut in. We zaten in een cirkel, onze ruggen naar de doeken. Het was krap, er kwam geen licht binnen. Eén voor één werden de hete keien – woeste, oranje eieren van de duivel – in het midden geplaatst. De oranje gloed verdween, maar de hitte werd meer en meer. Ik begon in paniek te raken; ik voelde mijn huid verbranden, en nog steeds werden er nieuwe keien binnengedragen. Na de laatste werd de opening afgesloten en bevonden we ons in een klein, kokend universum. Het maakte niet uit of je je ogen opende of sloot. Ik wilde eruit; iedere vezel in mijn lijf schreeuwde dat ik naar buiten moest. Maar ik bleef. Geen idee waarom. De jongen naast me voelde ik steeds schokkerig bewegen; ik voelde zijn angst, en toen klonk in dat diepteloze donker zijn stem: ‘Ik moet eruit.’ En daar ging hij. Ik voelde hem met zijn schokkende ledematen en natte huid over me heen klimmen.

Op de aarde liggen kon helpen, zei de sjamaan. Dus dat deden we. Onze armen en benen raakten elkaar, alles was verstrengeld, maar het maakte niet meer uit; we waren één zwetend lichaam. Mijn paniek was als een fel wit, stekelig beest geworden; ik voelde het bokken en briesen, maar ik was het niet langer zélf, en daardoor kon ik het tekeer laten gaan, als iets buiten mij.

Ik drukte mijn wang tegen de relatief koele aarde en ik onderging het, en omdat ik bleef transformeerde er iets. Er werd iets afgepeld, een laag van mezelf, waardoor er iets anders verscheen; een soort stille, heldere kern. Als zo’n ster aan de hemel.

Dan de duivelse sjamaan, grijnzend in de slokkende duisternis, die steeds weer wat water op de keien gooide, waardoor de luchtvochtigheid toenam en de temperatuur nog verder steeg. Een halfuur ging voorbij, toen een uur. In de sauna, waar ik gisteren was, werd tien tot vijftien minuten aanbevolen. Ik gaf het op, ik accepteerde, en voelde vrijheid.

Toen begonnen we te zingen. ‘I fell into a burning ring of fire…’ Onze stemmen galmend door een verlaten bergvallei. ‘I went down down down, and the flames went higher.’

Gisteren, na een minuut of twintig in de heetste sauna, met mijn ogen dicht, begon het daar een héél klein beetje op te lijken. Tot ik terug werd geworpen in de nep-openhaard-en-witte-badjassen-realiteit van de Thermen in Geldrop door een man op badslippers die de cabine binnenstapte en zei: ‘Zo zo, het is druk in de herberg!’ Met zo’n overdreven zachte G die me altijd een beetje doet schamen voor mijn eigen zachte G, maar die me ook geruststelt, omdat ik thuis ben.


Je kunt je op deze stukjes abonneren of evt een eenmalige donatie doen. Zie hier. In maart verschijnt mijn boek Berichten uit het tussenhuisje.