Tijdens het achtste verjaardagsfeestje van mijn jongste zoon zaten we in de tuin en werden we lastiggevallen door opgefokte wespen die het op onze taart hadden voorzien. Eén van de gasten vertelde dat het niet zonder reden is dat er in augustus, en vooral eind augustus, heel veel wespen zijn. ‘Ze hebben dan vakantie,’ zei ze. Van dat laatste zinnetje kreeg ik een beetje jeuk. De wespen hadden hard gewerkt voor de koningin, zo was de implicatie, en nu werden ze vriendelijk beloond met een fijne vakantie.

Ook ik kende het principe van wespen in augustus, maar mijn uitleg was wat grimmiger, en dus beter, en bovendien ook gewoon de waarheid. En natuurlijk gooide ik die uitleg in de groep zodra zij klaar was met vertellen.

Want weet je, die opdringerige wespen in augustus, die zich zo agressief en met verachting voor ons bestaan op onze drink- en eetwaren storten, zijn namelijk verstoten. Trouw waren ze aan de koningin, aan het nest, aan de commune. Loyaal waren ze. Harde werkers waren ze. En toen werden ze verraden, verbannen, verstoten. Niet langer nodig, daar is de uitgang, tot ziens.

In het nest hadden ze zich al die tijd gevoed met de zoete afscheiding van de larven, en die zoetbehoefte was gebleven, maar nu ging die behoefte gepaard met desillusie en fatalisme; een gevaarlijke cocktail. Ze waren een rōnin geworden: een samurai zonder meester. Dat verklaarde hun doodsverachting, hun nijdigheid en hun bereidheid om je bij de minste provocatie te steken met hun gladde, herbruikbare angels. (Wist je trouwens dat ook hommels gladde angels hebben?)

Mijn vader greep het stukje expertise, dat ik zo kundig en beeldend had opgedist, aan om een anekdote te vertellen die ik in mijn leven al honderd keer heb gehoord. Als kind, in Curaçao, had hij een vadsig, uitdrukkingsloos klasgenootje, en op een dag zag mijn vader hoe dat kind heel verveeld met zijn duim een wesp dooddrukte tegen het raam. De duim was zo mollig en ruw dat de wesp er niet in kon steken, en het jongetje deed het zo routineus dat het niet anders kon dan dat hij dat al veel vaker had gedaan.

De voorgaande alinea is gelogen. Mijn vader heeft die anekdote wel echt vaak verteld, maar niet op het feestje van mijn zoon. Ik had gewoon zin om het zo op te schrijven. Ook weet ik niet zeker of wat ik vertelde over wespen in augustus wel helemaal klopt. Maar dat is dan jammer; ik mag schrijven wat ik wil; ik ben een schrijver zonder meester.


Abonneer je hier op deze stukjes. Of koop mijn laatste boek, Berichten uit het tussenhuisje. Ook verkrijgbaar als luisterboek.