Het was op de Antwerpse Boekenbeurs dat ik plaatsnam op de kruk waarop zojuist Kristien Hemmerechts haar boeken had zitten signeren. Even ervoor had ik een interview gegeven, op een klein podium, voor een man of tien, en nu was het mijn beurt om te signeren. In theorie had ik dat ook echt kunnen doen, signeren, als er iemand was geweest die een handtekening wilde. Ik zat voor een stapel van mijn eigen boeken en keek toe terwijl het stof zich op de kaften verzamelde. Hemmerechts, die tevreden haar tasje en jas pakte, glimlachte naar me, waarop ik vriendelijk naar haar teruglachte.

In mij werd met een vinger gewezen, en die vinger wees dieper naar binnen. Lafaard, zei een stem. Ik had me ooit voorgenomen om nooit meer als een lul met een pen naast een stapel van mijn eigen boeken te gaan zitten als er toch geen enkele belangstelling voor was, puur en alleen omdat ik dat aan de organisatie had toegezegd.

Maar hier zat ik dus weer. Dit is België, hield ik mezelf voor. Hier kennen ze me nog niet, hier moet ik alles nog opbouwen.

De situatie bracht een herinnering naar boven van een jaar of acht geleden (of zes, of zeven, of negen). Ik was op een ander groot boekenfestijn, in Nederland, en ook daar moest ik signeren. Je had tijdsblokken en een rij tafels. Op een schema kon het publiek zien van hoe laat tot hoe laat er welke schrijver zat. Ik nam plaats op de mij toegewezen kruk en zat een minuut of vijf als een lul te wachten op niemand, op stof, op mijn eigen sterfdag. Vijf minuten vol gêne en gezichtshitte waren het, en ik had er nog tien te gaan. Achter me hoorde ik toen plots commotie. Mensen van de organisatie waren in gesprek met Paulien Cornelisse, die toen geloof ik net Taal had gepubliceerd. Wat bleek: er was iets misgegaan met het schema; er stond op dat Paulien nu moest signeren, maar er was geen tafel vrij. Ik voelde hun ogen op mijn rug, hun aarzeling, hun schaamte. Dus hielp ik ze uit hun lijden en zei: ‘Kom hier maar zitten, ik ben geloof ik toch al klaar.’ Ik zag de opluchting in hun ogen. Paulien ging zitten en meteen stond er een rij tot aan de stadswal.

Nou ja, daar deed deze situatie me dus aan denken. Het was namelijk toen, denk ik, dat ik die belofte aan mezelf deed: om mezelf nooit meer aan die gêne te onderwerpen. De belofte die ertoe leidde dat ik nu, hier in Antwerpen, opstond en mijn Vlaamse uitgever vaarwel zei, ook al zat mijn tijd er nog lang niet op. Ik ging de stad in, waar ik abdijbier dronk met mijn vriendin, om daarna dikke gouden kettingen te gaan passen in het Diamantkwartier.

Een dag later, op Facebook, kreeg ik een boos bericht van een mevrouw. Ze had een boek van me gekocht en was naar me toegekomen voor een handtekening. Ze was er op de juiste tijd en ze stond op de juiste plaats. Maar ik was er niet.

Ze noemde me onsympathiek.


Mocht je je willen abonneren op deze stukjes: leuk! Klik hier.